ECLI:NL:RBDHA:2026:2470

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57211
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling beslistermijn en oplegging dwangsom wegens niet tijdig beslissen op verblijfsaanvragen

Eisers hebben een opvolgend beroep ingesteld omdat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder de uitspraak van deze rechtbank vernietigd en een beslistermijn opgelegd, die de minister niet heeft nageleefd.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ontvankelijk en gegrond is en stelt een nieuwe beslistermijn van vier weken na bekendmaking van deze uitspraak vast. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het geval de minister opnieuw niet tijdig beslist.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op €233,50, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is gebaseerd op de eerdere jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak en de toepasselijke wettelijke bepalingen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van vier weken op en een dwangsom bij overschrijding, en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57211

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

[naam],

[naam],

[naam],

[naam],V-nummer: [nummer],

gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1.1.
Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvragen tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

1. In de procedure in hoger beroep heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 februari 2025 [2] vernietigd, voor zover zij de minister heeft opgedragen om vóór 30 juni 2026 alsnog een besluit bekend te maken. De Afdeling heeft deze termijn vervangen door een nadere termijn van vier werken na de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank, door acht weken als zij de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt. [3] Uit het dossier blijkt niet dat de minister de gelegenheid tot herstel van verzuimen of nader onderzoek heeft geboden. De minister had daarom binnen vier weke na de rechtbankuitspraak moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan.
2. Het beroep is kennelijk ontvankelijk en gegrond.
3. Het gaat in deze zaak om een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen. Mede gelet op de beslistermijn die de Afdeling in de hoger beroepsprocedure heeft opgelegd en het tijdsverloop sindsdien, bepaalt de rechtbank daarom dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvragen moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekend maken van deze uitspraak.
4. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [4]
5. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. [5] Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op €233,50. [6] De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken.
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van €233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.NL24.48067.
3.ABRvS 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4680.
4.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
6.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.