ECLI:NL:RBDHA:2026:2488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4405
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring wegens zicht op uitzetting en medische omstandigheden

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, is sinds oktober 2025 in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten en beoordeelt of de maatregel rechtmatig is vanaf 17 december 2025.

Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede vanwege een lopende laissez-passer aanvraag die al langer dan twee jaar duurt. Tevens wijst hij op zijn medische omstandigheden en de impact van detentie op zijn gezondheid. Verweerder heeft een vertrekgesprek gevoerd en schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten.

De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend werkt en dat er nog steeds zicht is op uitzetting. De medische situatie van eiser is meegenomen, en specialistische zorg wordt gefaciliteerd, waaronder een geplande reconstructieve operatie. Er zijn geen nieuwe feiten die het belang van eiser zwaarder doen wegen dan de noodzaak van bewaring.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4405

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer 1] ,
(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. H. Toonders)

Procesverloop

Verweerder heeft op 6 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 30 januari 2026 gesloten.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 5 februari 2026, waarna verweerder een verweerschrift heeft ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd. Het onderzoek is vervolgens weer gesloten op 11 februari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 17 december 2025.
4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Hij bevindt zich al bijna vier maanden in bewaring. Sinds het laatste vervolgberoep heeft enkel een vertrekgesprek plaatsgevonden en is er op 8 januari 2026 in het kader van de lp-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten gerappelleerd. Verweerder heeft nog geen concrete stappen ondernomen om de zaak op te schalen. Verder stelt eiser dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Zijn lp [3] -aanvraag loopt al langer dan twee jaar. Tot op heden hebben de Marokkaanse autoriteiten geen lp verstrekt of laten weten dat zij bereid zijn om binnen afzienbare tijd wel een lp aan eiser te verstrekken. Eiser is nooit gepresenteerd of uitgenodigd voor een presentatie. Tot slot stelt eiser dat er geen juiste belangenafweging heeft plaatsgevonden. Verweerder houdt geen rekening met zijn steeds zwaarder wegende belangen. Hij heeft al gewezen op zijn medische omstandigheden en heeft verzocht om een meldplicht. Zijn identiteit en nationaliteit staan al vast, nu hij jaren met een geldige verblijfsvergunning in Nederland heeft gewoond. Ook heeft hij een vast verblijfadres bij zijn moeder. Zijn medische situatie is van eminent belang. Eiser heeft daartoe zijn medisch dossier overgelegd, waaruit blijkt dat er een reconstructieve operatie gepland staat. De omstandigheden in bewaring hebben effect op zijn medische klachten en eiser krijgt niet de medicatie die hij voorheen altijd gebruikte. Zijn mentale klachten nemen daardoor ook toe.
5. Als een beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond is verklaard, kan de rechtbank in een vervolgberoep tegen het voortduren van de maatregel zonder toestemming van partijen bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. [4] Gelet op de inhoud van het digitale dossier acht de rechtbank zich in dit geval voldoende voorgelicht om zonder zitting uitspraak te kunnen doen. De rechtbank ziet daarom geen reden voor een mondelinge behandeling van het vervolgberoep.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder vooralsnog voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser door in de te beoordelen periode een vertrekgesprek met eiser te voeren en schriftelijk te rappelleren over de lp-aanvraag. Ook ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting is komen te vervallen. In de voorgaande beroepsprocedure tegen de maatregel is duidelijk geworden dat er enige tijd twee lp-aanvragen naast elkaar hebben gelopen. Op 30 oktober 2024 was immers al een lp-aanvraag ingediend voor eiser onder een ander V-nummer. [5] Op 20 oktober 2025, niet lang na de huidige inbewaringstelling, is nogmaals een lp-aanvraag ingediend. [6] Deze lp-aanvragen zijn inmiddels samengevoegd. Hoewel er dus al een zeer geruime tijd een lp-aanvraag loopt, komt naar het oordeel van de rechtbank in dat verband met name betekenis toe aan het gedeelte daarvan waarin eiser als gevolg van de huidige inbewaringstelling zijn vrijheid is ontnomen. In het algemeen bestaat er zicht op uitzetting naar Marokko. [7] Er zijn door eiser geen concrete aanknopingspunten aangereikt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem uiteindelijk geen lp zal worden afgegeven.
7. Niet is betwist dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, waaruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt, nog altijd van toepassing zijn. Het verblijfadres bij zijn moeder en de medische omstandigheden zijn ook meegenomen in de beoordeling van de voorgaande beroepen tegen de maatregel van bewaring. De update van eisers gezondheidstoestand aan de hand van zijn medisch dossier geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan al is gedaan. Eiser dient zich te wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum, ook voor zijn zorgen over de littekens op zijn buik. Uit het feit dat inmiddels een operatie gepland staat in maart 2026 valt eveneens af te leiden dat eiser niet verstoken blijft van medische zorg en dat specialistische medische zorg wordt gefaciliteerd wanneer dit nodig blijkt. Verweerder heeft dan ook kunnen concluderen dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, aanleiding hadden moeten geven om eisers belang zwaarder te laten wegen en de bewaring op te heffen.
8. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20554, en 22 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24816.
3.Laissez-passer.
4.Artikel 96, eerste lid, van de Vw.
5.Onder v-nummer [V-nummer 2] .
6.Onder v-nummer [V-nummer 1] .
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.