Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, werd op 6 oktober 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat zijn recht op consulaire bijstand was geschonden omdat hij geen contact kon leggen met de Marokkaanse diplomatieke vertegenwoordiging. De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn verplichtingen had voldaan door eiser op zijn rechten te wijzen en dat eiser zelf geen contact heeft gezocht.
Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit van 28 november 2018 niet als grondslag voor de bewaring kon dienen omdat daarin geen land van terugkeer werd genoemd en dat zijn medische situatie uitzetting onmogelijk maakte. De rechtbank stelde vast dat uit het besluit en een latere beschikking wel ondubbelzinnig bleek dat Marokko als land van terugkeer geldt en dat geen medische noodsituatie bestond die non-refoulement zou rechtvaardigen.
Verder stelde eiser dat een lichter middel dan bewaring toegepast had kunnen worden, zoals verblijf bij zijn moeder met meldplicht. De rechtbank vond dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat de bewaring noodzakelijk was vanwege het risico op onttrekking en dat de medische zorg in detentie adequaat was.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat verweerder voortvarend had gehandeld bij de uitzettingsprocedure. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.