ECLI:NL:RBDHA:2026:2508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
NL26.4233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder had de maatregel opgelegd vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou ontwijken of belemmeren.

Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, had moeten worden toegepast en dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld door het late starten van het laissez-passer traject. De rechtbank stelde vast dat eiser de zware en lichte gronden voor bewaring niet had bestreden en dat deze gronden voldoende waren gemotiveerd.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet direct naar het zwaarste middel had gegrepen, aangezien eiser op 2 januari 2026 al was bevolen zich naar Spanje te begeven, wat hij niet had gedaan. De maatregel van bewaring was op 10 januari 2026 opgelegd en het laissez-passer traject was op 16 januari 2026 gestart, wat als voldoende voortvarend werd beschouwd.

De rechtbank zag geen grond voor onrechtmatigheid van de maatregel en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4233

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

1. Bij besluit van 10 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2. De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevr. J. Allachi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen. Een vrijheidsontnemende maatregel is een ultimum remedium en verweerder heeft in één keer het zwaarste middel opgelegd. Verweerder had kunnen volstaan met een meldplicht en dat kunnen monitoren. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt door pas op 16 januari 2026 een laissez-passer traject op te starten.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en de lichte gronden niet heeft bestreden. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering naar het oordeel van de rechtbank voldoende om het risico op onttrekking en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure aanwezig te achten. Daarbij heeft verweerder mogen afzien van het opleggen van een lichter middel. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder niet direct naar het zwaarste middel gegrepen. Eiser had immers op 2 januari 2026 het bevel gekregen om zich onmiddellijk naar Spanje te begeven. Hier heeft eiser geen gehoor aan gegeven.
7. De Afdeling [1] heeft in het algemeen zowel bij geplande bewaring als bij bewaring na een geplande overdracht een eerste daadwerkelijke handeling op dag zes voldoende voortvarend geacht. [2] De vrijheidsontnemende maatregel is op 10 januari 2026 opgelegd en verweerder heeft op 16 januari 2026 een laissez-passer traject opgestart en met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende voortvarend gehandeld, temeer omdat in eisers geval geen sprake was van een geplande bewaring.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [3] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:989.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.