Eiseres heeft een aanvraag ingediend bij het Zorgkantoor voor meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke is afgewezen. De rechtbank beoordeelt dat het Zorgkantoor de aanvraag niet op een juiste wijze heeft beoordeeld, omdat de beoordeling niet inzichtelijk, controleerbaar en navolgbaar is. De bestaande wet- en regelgeving en parlementaire geschiedenis bieden geen aanwijzing dat de gehanteerde beoordelingsmethode juist is.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waarin wordt vastgesteld dat de regelgeving onduidelijk is over de wijze van beoordeling van meerzorg, met name over het referentiepunt en de wijze van kwantificering van de zorgbehoefte. Het Zorgkantoor heeft geen objectieve urenvergelijking gemaakt, maar een algemene vergelijking met het zorgprofiel, wat onvoldoende is.
De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en vernietigt het besluit. Het Zorgkantoor wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij een gekwantificeerde en toetsbare vergelijking in uren wordt gemaakt van de zorgbehoefte van eiseres ten opzichte van het zorgprofiel. Tevens wordt een voorlopige voorziening getroffen waarbij eiseres een verhoging van het persoonsgebonden budget (pgb) krijgt voor zorg buitenshuis.
Daarnaast wordt het Zorgkantoor veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres. De rechtbank ziet af van een bestuurlijke lus en neemt zelf geen beslissing over de aanvraag meerzorg vanwege onvoldoende informatie.