ECLI:NL:RBDHA:2026:2601
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende bewijs werkzaamheden vader in nationaal leger
Eiser, een Afghaanse minderjarige, verzocht asiel met het argument dat hij gevaar loopt vanwege de werkzaamheden van zijn vader voor het nationale leger. De minister wees het asielverzoek af omdat eiser onvoldoende bewijs leverde dat zijn vader daadwerkelijk voor het leger werkte. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de overgelegde documenten, waaronder tazkera’s en een legerpas, niet overtuigend waren en dat de verklaringen van eiser niet samenhangend en aannemelijk waren.
De rechtbank stelde vast dat de tazkera van de vader vermeldde dat hij arbeider was, wat niet strookt met de stelling dat hij in het leger werkte. De door eiser overgelegde documenten van derden waren onvoldoende onderbouwd en de echtheid van de legerpas en trainingsbewijs kon niet worden vastgesteld. Ook de inconsistenties in het verhaal van eiser over het bezit van documenten en zijn verklaringen over het verblijf in het dorp werden meegewogen.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Er was geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig nadeel bij terugkeer. Het beroep werd afgewezen en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van militaire werkzaamheden van zijn vader en onvoldoende aannemelijkheid van het asielverhaal.