ECLI:NL:RBDHA:2026:2601

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
NL25.49991
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende bewijs werkzaamheden vader in nationaal leger

Eiser, een Afghaanse minderjarige, verzocht asiel met het argument dat hij gevaar loopt vanwege de werkzaamheden van zijn vader voor het nationale leger. De minister wees het asielverzoek af omdat eiser onvoldoende bewijs leverde dat zijn vader daadwerkelijk voor het leger werkte. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat de overgelegde documenten, waaronder tazkera’s en een legerpas, niet overtuigend waren en dat de verklaringen van eiser niet samenhangend en aannemelijk waren.

De rechtbank stelde vast dat de tazkera van de vader vermeldde dat hij arbeider was, wat niet strookt met de stelling dat hij in het leger werkte. De door eiser overgelegde documenten van derden waren onvoldoende onderbouwd en de echtheid van de legerpas en trainingsbewijs kon niet worden vastgesteld. Ook de inconsistenties in het verhaal van eiser over het bezit van documenten en zijn verklaringen over het verblijf in het dorp werden meegewogen.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Er was geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig nadeel bij terugkeer. Het beroep werd afgewezen en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van militaire werkzaamheden van zijn vader en onvoldoende aannemelijkheid van het asielverhaal.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.49991
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

1. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 oktober 2025 (het bestreden besluit) afgewezen als ongegrond. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingediend bij de rechtbank.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, mr. Bartels, A.R. Faquiri (tolk) en mr. Ohrtmann.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiser heeft verklaard dat hij de Afghaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 2009. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn vader werkzaam is geweest voor het nationale leger. Om deze reden is eiser met zijn ouders gevlucht naar de bergen op het moment dat de Taliban aan de macht kwam. Eisers vader is uiteindelijk meegenomen door de Taliban, het is niet duidelijk of hij nog in leven is. Eiser vreest dat hem bij terugkeer naar Afghanistan hetzelfde lot te wachten staat, omdat hij de zoon is van een persoon die voor het nationale leger heeft gewerkt.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
2. Problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van vader.
4. De minister acht asielmotief 1 geloofwaardig en asielmotief 2 niet geloofwaardig. Eiser heeft volgens de minister niet met documenten onderbouwd dat zijn vader daadwerkelijk werkzaam is geweest voor het nationale leger. Op de tazkera van de vader van eiser is vermeld dat hij arbeider van beroep was. Dit strookt niet met de verklaring van
eiser dat zijn vader in het nationale leger werkte. Daarnaast zijn de verklaringen van eiser over het werk van zijn vader, de problemen die zijn ontstaan en de gevangenneming van zijn vader, niet samenhangend en aannemelijk. Het geloofwaardig bevonden asielmotief 1 maakt niet dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daartegen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank bespreekt deze beroepsgronden hieronder.
6. Eiser stelt dat hij met documenten aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader voor het nationale leger heeft gewerkt. Hij heeft scans van tazkera’s van twee andere personen overgelegd waarop – net als bij de tazkera van zijn vader – ‘arbeider’ is vermeld, terwijl één van deze personen geen arbeider is maar ingenieur. Verder heeft eiser nog een scan van een legerpas van zijn vader overgelegd, die geldig was van 22 januari 2011 tot 22 januari 2024, en een scan van een bewijs van deelname aan een training van het leger van 9 juli 2011 tot 20 augustus 2011. Deze documenten stonden op een USB-stick van de moeder van eiser.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de documenten die eiser heeft ingebracht niet de waarde gehecht kan worden die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Hierbij is het volgende van belang
6.2.
Aan de tazkera’s van derden die eiser heeft overgelegd komt niet de gewenste betekenis toe, reeds omdat voor de rechtbank niet is vast te stellen wat de daadwerkelijk functie van deze personen is. De enkele stelling van eiser dat één van deze personen ingenieur is, is onvoldoende. Er is geen verdere informatie waaruit dit blijkt.
6.3.
Wat betreft de (scans van) de verlopen legerpas en het bewijs van deelname aan een training van het leger overweegt de rechtbank dat het overleggen van deze documenten op gespannen voet staat met de verklaringen van eiser. Eiser heeft immers tijdens het nader gehoor verklaard dat de Taliban alles had meegenomen wat het gezin thuis had aan documenten, foto’s en dergelijken.1 Later tijdens dat gehoor heeft hij nogmaals verklaard dat alles in hun huis is meegenomen door de Taliban en dat er niets is overgebleven.2 Onduidelijk is hoe de moeder van eiser nu, hangende deze beroepsprocedure, alsnog aan deze documenten is gekomen. Daarbij komt dat de minister heeft toegelicht dat van dergelijke scans de echtheid niet kan worden vastgesteld. De minister heeft zich om deze redenen op het standpunt mogen stellen dat eiser niet met documenten aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader voor het leger heeft gewerkt.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser stelt dat hij voldoende heeft verklaard over de werkzaamheden van zijn vader, de problemen die zijn ontstaan en de gevangenneming van zijn vader. Het is voor eiser niet mogelijk daarover meer te vertellen dan hij heeft gedaan. Het is in eisers cultuur namelijk niet gebruikelijk om vragen te stellen aan oudere mensen. De minister heeft daar onvoldoende rekening mee gehouden.
1. Zie pagina 10 van het nader gehoor.
2 Zie pagina 14 van het nader gehoor.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de verklaringen van eiser over de werkzaamheden van zijn vader, de problemen die zijn ontstaan en de gevangenneming van zijn vader, niet samenhangend en aannemelijk zijn. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat zijn vader voor het nationale leger werkte, terwijl dit tegenstrijdig is met de vermelding ‘arbeider’ op diens tazkera. Verder heeft de minister bij zijn standpunt mogen betrekken dat eiser slechts summier over de werkzaamheden van zijn vader heeft verklaard, ondanks diverse vragen die hem hierover zijn gesteld tijdens het nader gehoor. Hierbij heeft de minister onder meer in aanmerking genomen dat juist die werkzaamheden van zijn vader de reden zijn geweest voor het vertrek van eiser uit Afghanistan, zodat van eiser mocht worden verwacht dat hij hierover meer had kunnen verklaren. Daarnaast heeft de minister bij zijn standpunt mogen betrekken dat eiser enerzijds heeft verklaard dat het gezin snel na de komst van de Taliban het dorp uit is gevlucht naar de bergen en dat het dorp vol zat met informanten van de Taliban, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat zowel zijn vader als hijzelf daarna nog naar het dorp ging. Ook heeft de minister in zijn beoordeling mogen betrekken dat eiser over de gevangenneming van zijn vader niet meer heeft kunnen verklaren dan dat de Taliban zijn vader heeft meegenomen.
7.2.
Tot slot ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister tijdens het nader gehoor, of bij het beoordelen van de verklaringen van eiser, onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag als ongegrond mogen afwijzen. Het beroep van eiser is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.