Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvragen op 30 april 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eisers stelden de minister op 28 augustus 2025 in gebreke en dienden daarna beroepen in.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen gegrond zijn omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van acht weken na verzending van de uitspraak vast, waarbij de minister verplicht wordt alsnog besluiten te nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.
Daarnaast krijgt eisers een proceskostenvergoeding van €467 toegekend, omdat zij een professionele gemachtigde hebben ingeschakeld. De rechtbank behandelt de zaken als samenhangend vanwege de familieband en gelijke indieningsdatum van de aanvragen, waardoor de dwangsom en vergoeding beperkt blijven tot het bedrag van één zaak.