Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Poolse nationaliteit dragende persoon, werd op 24 januari 2026 aangehouden en de maatregel van bewaring werd opgelegd. Eiser stelde dat sprake was van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht en dat hij op onjuiste grondslag was opgehouden, omdat zijn identiteit en verblijfsrechtelijke positie onduidelijk waren.
De rechtbank stelde vast dat de aanhouding plaatsvond naar aanleiding van een melding over overlast op een perron en dat de identiteit van eiser werd gecontroleerd. De rechtmatigheid van de aanhouding op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht is volgens vaste rechtspraak niet toetsbaar door de bewaringsrechter.
Verder bleek uit het proces-verbaal dat eiser in het bezit was van een Poolse identiteitskaart, waarmee zijn identiteit en verblijfsrechtelijke positie duidelijk waren. De rechtbank oordeelde dat de ophouding op juiste grondslag had plaatsgevonden en dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.