ECLI:NL:RBDHA:2026:2715
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek consulaire bijstand bij verlaten Gaza geen besluit in zin Awb
Verzoeker, een staatloze Palestijn in Gaza met een mvv-inwilliging voor wetenschappelijk onderzoek, verzocht om consulaire bijstand bij het verlaten van Gaza om zijn mvv-sticker in Amman op te halen. Verweerder wees dit verzoek af omdat verzoeker niet tot de drie groepen behoort die voor consulaire bijstand in aanmerking komen. Het bezwaar van verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de afwijzing geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de afwijzing feitelijk handelen betreft zonder publiekrechtelijk rechtsgevolg en dat geen sprake is van een uitzonderlijk geval dat dit anders maakt. Ook is de afwijzing geen handeling gelijkgesteld aan een beschikking onder artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet 2000, omdat de wet geen rechtsmacht buiten Nederland biedt.
Verzoeker stelde dat verweerder in het verleden consulaire bijstand verleende aan vergelijkbare groepen en dat dit strijdig is met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, maar de rechter achtte dit niet relevant voor de kwalificatie van het besluit. De schrijnende humanitaire situatie in Gaza leidt niet tot een andere beoordeling.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een voorlopige voorziening en wijst het beroep af. Verzoeker wordt geadviseerd zich tot de civiele rechter te wenden indien hij onzorgvuldigheid in de behandeling van consulaire bijstand vermoedt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van consulaire bijstand wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb.