ECLI:NL:RBDHA:2026:2719

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
09-275869-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 46b SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor voorbereiding ontploffing bij café in Den Haag

Op 17 oktober 2025 werd verdachte aangehouden met een tas met daarin een vuurwerkbom samengesteld uit flessen wasbenzine en Cobra 6, bestemd voor een café in Den Haag. Camerabeelden en DNA-onderzoek koppelden de verdachte aan de tas. Snapchatberichten toonden overleg over het plaatsen van de bom.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet is begonnen met de uitvoering van het misdrijf, omdat hij de tas niet heeft neergezet en wegvluchtte na het zien van aanwezigen in het café. Daarom werd hij vrijgesproken van poging brandstichting/ontploffing, maar wel veroordeeld voor voorbereidingshandelingen.

De verdediging voerde vrijwillige terugtred aan, maar de rechtbank vond dat de vlucht een schrikreactie was na betrapt te zijn, waardoor dit verweer faalde. De verdachte kreeg een jeugddetentie van 141 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, gebiedsverbod en begeleiding. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging brandstichting, veroordeeld voor voorbereiding ontploffing tot deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-275869-25 en 09-310655-24 (tul)
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,
verblijfadres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 29 januari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. D.F.R. de Vrught en de raadsvrouw van de verdachte is mr. L.E. Toet te Utrecht. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich primair schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gevaar voor goederen, levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor cafébezoekers te duchten was. Subsidiair wordt de verdachte ervan verdacht dat hij voornoemd strafbaar feit heeft voorbereid.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 oktober 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, bij een
café gelegen aan de De la Reyweg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het café [café] en/of de daar omheen gelegen panden en/of goederen die zich in die panden bevinden en/of de voertuigen die nabij voornoemd café geparkeerd stonden te duchten was en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de personen die in het café aanwezig waren, althans bij voornoemd café aanwezig waren, te duchten was
- zich naar het café, althans de omgeving rondom dit café, te begeven en/of
- ( vervolgens) een tas met daarin een of meerdere (plastic)flessen met (een) (brandbare) vloeistof (wasbenzine) en een of meerdere stuks cobra 6, bevestigd aan elkaar, en een aansteker en een baksteen, naar het voornoemde café heeft gebracht en voor de deur te zetten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 oktober 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, bij een café gelegen aan de De la Reyweg, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk
teweegbrengen van een explosie, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, te weten een of meerdere (plastic)flessen met een brandbare vloeistof en een of meerdere stuks cobra 6, bevestigd aan elkaar, (en een aansteker en een baksteen) voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’. Daarnaast heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred (artikel 46b Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)), zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
3.3
De beoordeling van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast. In de nacht van 17 oktober 2025, omstreeks 03:00 uur, loopt er een persoon, gekleed in het zwart en gezichtsbedekking dragend, met een zwarte tas met wit opschrift vanaf De La Reyweg richting het café [café] . De persoon kijkt bij het café aangekomen tweemaal door het raam naar binnen en rent vervolgens weg in de richting van de Dierenselaan. Kort daarna komt er een groep van 25 tot 30 personen uit het café gelopen en een deel van de groep rent de kant op waar de persoon naartoe is gerend.
De politie komt ongeveer 10 minuten later ter plaatse, omdat er een vechtpartij in de Reitzstraat gaande zou zijn. Aldaar vertelt een groep personen dat de persoon die zij vasthebben een bom bij het café [café] wilde neerleggen. De persoon wordt door de politie aangehouden. Dit is de verdachte. Hij heeft een aansteker bij zich. In diezelfde straat wordt een tas, vergelijkbaar met de tas die de persoon bij zich had, aangetroffen met daarin een baksteen, zes Cobra's 6 en drie flessen met een opdruk 'wasbenzine' met daarin een heldere vloeistof. De Cobra's zijn per twee aan één fles bevestigd. Na onderzoek van de politie blijkt dat dit gaat om een zogenoemde Vuurwerk Brandstof Combinatie (hierna: VBC), waarvan bekend is dat dit gebruikt wordt voor het teweegbrengen van ontploffingen.
De baksteen, de Cobra’s 6 en de drie flessen worden veiliggesteld en naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) gestuurd voor DNA-onderzoek. Op de randen van de baksteen en de buitenzijde van de doppen van de flessen is DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Verder is de telefoon, die is aangetroffen bij de aanhouding van de verdachte, een Apple IPhone 16, inbeslaggenomen en onderzocht.
Daarop is een Snapchatgesprek aangetroffen waarin lijkt te worden gesproken over het feit van 17 oktober 2025. In het Snapchatgesprek tussen ‘ [gebruikersnaam 1] ’ en ‘ [gebruikersnaam 2] ’ wordt veelvuldig overlegd over de sluitingstijd van het café, hoe laat er naar het café gegaan zal moeten worden, dat er twee stuks moeten worden aangestoken en dat er een goed geldbedrag zal worden ontvangen. Bij de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam 2] ’ staat ‘owner’, hetgeen betekent dat die gebruikersnaam hoort bij de gebruiker van de Apple IPhone 16, en dat is de verdachte. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte degene is die de opdracht heeft gekregen om de vuurwerkbom bij het café te plaatsen.
De rechtbank gaat er op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van uit dat het dan ook de verdachte is die op de camerabeelden te zien is.
Poging of voorbereiding teweeg brengen ontploffing
De rechtbank zal vervolgens de vraag moeten beantwoorden of sprake is van een poging tot brandstichting of het teweegbrengen van een ontploffing of dat het hier gaat om voorbereidingshandelingen.
Van een poging tot het plegen van een strafbaar feit is sprake als er een begin van uitvoering van dat strafbare feit is geweest. Daarvan is sprake als er handelingen zijn verricht die, naar hun uiterlijke verschijningsvorm, gericht zijn op voltooiing van het strafbare feit. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de ontploffing alleen niet heeft plaatsgevonden, omdat de verdachte gestoord is door een getuige, zoals op de beelden te zien is. De verdachte had een tas met een geprepareerde vuurwerkbom en baksteen bij zich en volgens de officier van justitie blijkt uit het Snapchatgesprek dat een opdracht is gegeven hoe laat de verdachte het explosief bij het café moet neerleggen. Dit alles maakt dat er volgens de officier van justitie sprake was van een begin van uitvoering.
De rechtbank is van oordeel dat – ondanks al deze kennelijk op uitvoering van het voornemen gerichte omstandigheden – uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte naar het café is gelopen met de tas met daarin de vuurwerkbom en dat hij met of aan deze tas geen handelingen heeft verricht die als een begin van uitvoering gekwalificeerd kunnen worden. Hij heeft de tas ook niet neergezet. Op de beelden is waargenomen dat de verdachte door het raam heeft gekeken en vervolgens is weggerend. Dit alles is naar het oordeel van de rechtbank nog onvoldoende om te kunnen spreken van een begin van uitvoering. Er was immers nog geen sprake van enige handeling met de geprepareerde vuurwerkbom die op het teweeg brengen van de ontploffing zag. Daarom zal de verdachte worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging.
De rechtbank acht op grond van inhoud van de bewijsmiddelen en de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden wel de voorbereidingshandelingen, hetgeen subsidiair ten laste is gelegd, wettig en overtuigend bewezen.
Levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank zal niet ingaan op het verweer van de raadsvrouw dat geen sprake is geweest van ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel’, omdat voor voorbereidingshandelingen slechts van belang is of sprake is van feit waar acht jaar of meer gevangenisstraf op staat. Daarvan is ook sprake indien er gevaar voor goederen te duchten is.
Conclusie
Het primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 17 oktober 2025 te ’s-Gravenhage, bij een café gelegen aan de De
La Reyweg, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk teweegbrengen van een explosie, opzettelijk voorwerpen en stoffen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, te weten meerdere (plastic)flessen met een brandbare vloeistof en meerdere stuks cobra 6, bevestigd aan elkaar, en een aansteker en een baksteen voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu er sprake is van vrijwillige terugtred. Uit de Snapchatberichten op de telefoon van de verdachte blijkt dat hem te kennen is gegeven dat hij pas na sluitingstijd naar het café moest gaan, omdat er dan geen mensen meer aanwezig zouden zijn. Er wordt in de berichten de tijd van 3 uur/half 4 genoemd, en de verdachte is iets na 3 uur bij het café. Uit de beelden blijkt dat de verdachte tweemaal door het raam kijkt om zich ervan te vergewissen dat er niemand meer in het café is. Als hij ziet dat er nog mensen in het café zijn, besluit hij om weg te rennen. De plotselinge beweging van het wegrennen is volgens de raadsvrouw het moment dat hij beseft dat hij het explosief niet kan neerleggen vanwege de aanwezigheid van cafébezoekers. Het moment dat hij wegrent is dus een bewuste en eigen keuze van de verdachte die moet worden gezien als vrijwillige terugtred.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep toekomt op vrijwillige terugtred, omdat uit een getuigenverklaring in samenhang met hetgeen te zien is op de beelden blijkt dat de verdachte is betrapt en daarom is weggerend. Daar komt bij dat de verdachte geen verklaring heeft afgelegd over de verdenking, laat staan over hetgeen er in zijn hoofd omging op het moment dat hij door het raam keek en daarna wegrende.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Sr sprake is indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn voor de conclusie dat het misdrijf niet is voltooid als gevolg van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval. Beslissend voor de vrijwillige terugtred is de vraag of het terugtreden het gevolg was van een spontane, eigen besluitvorming en niet plaatsvond uitsluitend onder invloed van externe omstandigheden. Van buiten komende factoren die mede ertoe hebben geleid dat het misdrijf niet is voltooid, behoeven niet aan een succesvol beroep op vrijwillige terugtred in de weg te staan.
Uit de beelden, die ook ter zitting zijn bekeken, blijkt dat de verdachte, nadat hij bij het café is aangekomen, tweemaal door het raam kijkt en daarna een plotselinge beweging maakt en wegrent. Volgens de verdediging is dat wegrennen ingegeven door het besef dat er toch nog bezoekers in het café waren, waardoor de verdachte heeft besloten af te zien van zijn voornemen. Nu de verdachte zelf niets heeft verteld over de gang van zaken noch over zijn beweegredenen, moet de rechtbank nagaan of deze lezing zoals die door zijn advocaat is gegeven, aannemelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte met een plotselinge beweging wegrent, nadat hij door het raam van het café heeft gekeken. Uit de beelden volgt dat kort nadat de verdachte is weggerend, een groep personen uit het café naar buiten komt waarvan een aantal achter de verdachte aan gaan. Hieruit leidt de rechtbank af dat het niet anders kan zijn dan dat een of meer personen in het café de verdachte ook moeten hebben gezien. Anders waren ze immers niet naar buiten gekomen en achter hem aangegaan. In dat licht bezien, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of er onder die omstandigheden nog sprake is van vrijwillige terugtred. Immers, als de verdachte als het ware is betrapt, is van vrijwillige terugtred geen sprake meer.
De rechtbank ziet de plotselinge beweging van de verdachte, in het licht van de hierboven genoemde omstandigheden, anders dan de verdediging niet als een uit eigen beweging genomen terugtrekkende beweging, maar als een schrikreactie als gevolg van het feit dat hij is gezien en daardoor wordt betrapt door een of meer personen in het café.
Dat maakt dat het feit dat het voorgenomen misdrijf niet is voltooid, niet het gevolg is van een eigen besluit van de verdachte, maar van een externe omstandigheid. Daarmee is aan de vereisten voor een geslaagd beroep op vrijwillige terugtred niet voldaan. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen. Nu geen gronden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten, betekent dit dat het bewezenverklaarde volgens de wet strafbaar is.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 111 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, met een proeftijd van 2 jaren en de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden en de ter zitting toegevoegde voorwaarde ten aanzien van de dagbesteding dan wel onderwijs.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte verzocht om bij een veroordeling aansluiting te zoeken bij hetgeen door de Raad is geadviseerd en door de officier van justitie is geëist.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich als zestienjarige schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een ontploffing door met een tas met daarin flessen wasbenzine met daaraan Cobra’s getapet en een baksteen op een vooraf afgesproken tijdstip naar het café [café] te gaan om daar een ontploffing teweeg te brengen. Dat dit niet is gebeurd is niet te danken aan het handelen van de verdachte, maar komt doordat de verdachte is betrapt door cafébezoekers. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij geen enkele rekening heeft gehouden met de mogelijk zeer gevaarlijke gevolgen van zijn handelen en zich kennelijk enkel heeft laten leiden door financieel gewin.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 januari 2026. Daaruit volgt dat de verdachte in juni 2025 is veroordeeld voor een straatroof en daarvoor nog in een proeftijd liep. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank weet niets van de achtergronden of beweegredenen van de verdachte om te komen tot het plegen van het feit, omdat hij geen enkele verklaring heeft willen afleggen. Dat is – hoewel vanuit zijn oogpunt begrijpelijk – wel zorgelijk aangezien het daardoor ook moeilijk is om daar rekening mee te houden bij het opleggen van een straf en om geëigende maatregelen te treffen om herhaling te voorkomen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 27 januari 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat er ernstige zorgen bestaan over het gedrag van de verdachte. De verdachte vindt het moeilijk om zich aan afspraken te houden en gaat zijn eigen gang. Daarnaast gaat hij regelmatig in discussie als hij wordt aangesproken op zijn gedrag. Verder heeft de verdachte ook bij de Raad geen inzicht willen geven over zijn betrokkenheid bij dit strafbare feit en neemt hij geen verantwoordelijkheid, waardoor ook geen inzicht kan worden verkregen in waar het gedrag van de verdachte vandaan komt. De Raad benadrukt dat het belangrijk is dat de verdachte openheid van zaken gaat geven, omdat hulpverlening anders onvoldoende effect zal hebben. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk dient te zijn aan het voorarrest, met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, een gebiedsverbod, een locatiegebod, meewerken aan elektronische monitoring en meewerken aan een coach en behandeling. Ter zitting heeft de Raad nog aangevuld dat het ook belangrijk is dat de verdachte gedurende de proeftijd ook onderwijs moet volgen dan wel een dagbesteding moet hebben.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen, waarin als uitgangspunt is vermeld dat in beginsel jeugddetentie wordt opgelegd.
Gezien de ernst van de feiten, kan niet worden volstaan met een lichtere sanctie dan jeugddetentie. De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 141 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 700,-, aan immateriële schadevergoeding en € 1.000,- aan proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot matiging van het gevorderde bedrag aan immateriële schade tot een bedrag van € 350,- en tot niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van de gevorderde proceskosten, nu deze niet zijn onderbouwd. Gevorderd wordt de immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege de ontbrekende onderbouwing.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij heeft de vordering onvoldoende onderbouwd. Hoewel de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij invoelbaar zijn, kan op basis van de summiere onderbouwing niet worden vastgesteld dat sprake is van psychisch letsel ten gevolge van het strafbare feit. Evenmin brengen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ Ten aanzien van de proceskosten overweegt de rechtbank dat op geen enkele wijze is onderbouwd in welke procedure de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt en waar deze kosten precies uit bestaan. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie ter zitting deze vordering gewijzigd, in die zin dat wordt gevorderd dat de bij parketnummer 09-310655-24 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Den Haag op 26 juni 2025 voorwaardelijk opgelegde straf van 30 dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer wordt gelegd. De verdachte is recent gestart met school en behandeling bij de Waag. Tenuitvoerlegging zou deze positieve ontwikkeling doorkruisen.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadvrouw heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen gelet op het advies van de Raad over de vordering tot tenuitvoerlegging.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet dat er gronden zijn voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 26 juni 2025. Uit het onderzoek ter terechtzitting is immers gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank volgt echter het advies van de Raad en acht het onwenselijk om de schoolgang en behandeling van de verdachte te doorkruisen. De rechtbank zal daarom nu niet overgaan tot tenuitvoerlegging van de bij de eerdere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering afwijzen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
46, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.4 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
voorbereiding tot het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
141 (HONDERDEENENVEERTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zijnde
81 dagen,bij de tenuitvoerlegging van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten
60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij de hierbij op
een twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. zich gedurende de proeftijd houdt aan het gebiedsverbod (binnen een straal van 250 meter van het adres [adres 2] ) , zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
3. zich gedurende de proeftijd houdt aan een avondklok (locatiegebod), wat betekent dat de veroordeelde tussen 19:00 uur en 07:00 uur aanwezig is op het woon- of verblijfadres (van de moeder van de verdachte): [adres 1] , zolang de jeugdreclassering dit nodig acht, met een maximale duur van zes maanden, waarbij de jeugdreclassering de mogelijkheid heeft om de tijden van de avondklok aan te passen;
4. dat de veroordeelde ter controle van het gebiedsverbod en de avondklok/locatiegebod zal meewerken aan elektronische monitoring, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht, met een maximale duur van zes maanden;
5. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach vanuit [instelling 1] of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
6. gedurende de proeftijd meewerkt aan behandeling bij de Waag of [instelling 2] of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;
7. gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen en/of zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, alles in overleg met de jeugdreclassering.
De rechtbank geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
de vordering van de benadeelde partij
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen;
de vordering tenuitvoerlegging
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, opgelegd bij voormeld vonnis van 26 juni 2025 in de zaak met parketnummer 09-310655-24;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, voorzitter,
mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter,
en mr. Y.N. van den Brink, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026.