ECLI:NL:RBDHA:2026:275
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitstel van vertrek door de minister van Asiel en Migratie
Op 29 oktober 2025 heeft eiser, vertegenwoordigd door zijn moeder, een aanvraag om uitstel van vertrek ingediend bij de minister van Asiel en Migratie vanwege zijn medische situatie. De minister heeft deze aanvraag op 3 november 2025 afgewezen, waarna eiser bezwaar heeft gemaakt en een voorlopige voorziening heeft verzocht. De voorzieningenrechter heeft op 4 november 2025 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor eiser de beslissing op het bezwaar in Nederland mocht afwachten. Op 17 december 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard, met de stelling dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet naar Duitsland kan reizen en dat hij daar geen toegang heeft tot medische zorg. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft op 22 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar eiser en zijn gemachtigde niet. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij niet naar Duitsland kan reizen of dat hij daar geen medische zorg kan krijgen. De rechtbank verwijst naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en stelt vast dat de minister op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser met medische stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan reizen. Eiser is op 22 december 2025 overgedragen aan de Duitse autoriteiten, nadat een arts hem 'fit to travel' had verklaard.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen uitstel van vertrek en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak is openbaar gemaakt op 9 januari 2026.