ECLI:NL:RBDHA:2026:275

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.62086
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitstel van vertrek door de minister van Asiel en Migratie

Op 29 oktober 2025 heeft eiser, vertegenwoordigd door zijn moeder, een aanvraag om uitstel van vertrek ingediend bij de minister van Asiel en Migratie vanwege zijn medische situatie. De minister heeft deze aanvraag op 3 november 2025 afgewezen, waarna eiser bezwaar heeft gemaakt en een voorlopige voorziening heeft verzocht. De voorzieningenrechter heeft op 4 november 2025 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor eiser de beslissing op het bezwaar in Nederland mocht afwachten. Op 17 december 2025 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard, met de stelling dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet naar Duitsland kan reizen en dat hij daar geen toegang heeft tot medische zorg. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen dit besluit.

De rechtbank heeft op 22 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar eiser en zijn gemachtigde niet. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij niet naar Duitsland kan reizen of dat hij daar geen medische zorg kan krijgen. De rechtbank verwijst naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en stelt vast dat de minister op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser met medische stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan reizen. Eiser is op 22 december 2025 overgedragen aan de Duitse autoriteiten, nadat een arts hem 'fit to travel' had verklaard.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen uitstel van vertrek en er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak is openbaar gemaakt op 9 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62086

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door de minister van eisers aanvraag om uitstel van vertrek. Eiser is het hiermee niet eens en heeft daarom beroep ingesteld. Eiser wordt in deze procedure in rechte vertegenwoordigd door zijn moeder, [naam] . De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van eisers aanvraag in stand kan blijven, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet naar Duitsland kan reizen en ook niet dat hij in Duitsland geen toegang heeft tot medische zorg. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 29 oktober 2025 uitstel van vertrek aangevraagd vanwege zijn medische situatie. [1]
3. De minister heeft deze aanvraag op 3 november 2025 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit van de minister bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 4 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. [2] Eiser mocht daarom de beslissing op het bezwaar in Nederland afwachten.
4. Met het besluit van 17 december 2025 is de minister bij de afwijzing van eisers aanvraag gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
5. Op 20 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. [3]
6. De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen.

Voorgeschiedenis

7. De moeder van eiser heeft, mede namens eiser, op 7 juni 2025 in Nederland asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag op 31 juli 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft het beroep tegen dat besluit op 25 augustus 2025 ongegrond verklaard. [4]
8. Op 29 oktober 2025 heeft eiser de minister verzocht om hem uitstel van vertrek te verlenen vanwege zijn medische situatie. Eiser moest namelijk met spoed een oogoperatie ondergaan. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat uit de medische stukken niet is gebleken dat de operatie in Nederland moest plaatsvinden of dat eiser niet naar Duitsland kon reizen.
9. Op 12 november 2025 is eiser in Nederland geopereerd aan zijn oog. Na de operatie zal eiser tot ongeveer eind januari 2026 een aantal poliklinische controles krijgen.
10. Met het bestreden besluit van 17 december 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens de minister heeft eiser niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat hij niet naar Duitsland kan reizen. Bovendien beoordeelt een arts voorafgaand aan de overdracht of eiser kan reizen. Verder bestaat volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM [5] . De minister gaat er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit dat eiser in Duitsland ongeveer dezelfde medische behandeling kan krijgen als in Nederland en dat hij direct toegang heeft tot medische zorg. Eiser heeft geen medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat hij alleen in Nederland de medische behandeling kan krijgen. Bovendien draagt DT&V [6] voor de overdracht eisers medische informatie over aan Duitsland. Eiser kan verder ook zelf de rest van zijn medische informatie bij zijn behandelaars opvragen en aan zijn nieuwe behandelaars geven.

Beoordeling door de rechtbank

Beroepsgronden
11. Eiser voert aan dat hij in Duitsland geen toegang heeft tot medische hulp, gelet op zijn eerdere ervaringen in Duitsland, waarbij hij niet serieus is genomen. Eiser verwijst ter onderbouwing naar het AIDA-rapport over Duitsland van juni 2025 (update 2024), waaruit volgens hem blijkt dat de toegang tot medische zorg voor asielzoekers beperkt is. Dat probleem is niet opgelost met een fit-to-travel beoordeling. De minister heeft niet onderbouwd dat eiser direct na aankomst toegang heeft tot medische zorg. Volgens eiser is Nederland het meest aangewezen land voor het voltooien van zijn medische behandeling, gelet op de spoedoperatie die hij hier heeft ondergaan. Eiser krijgt nog controles tot in ieder geval midden of eind januari en in geval van complicaties zullen er langer controles nodig zijn. Eiser voert tot slot aan dat de overdracht aan Duitsland in strijd is met het belang van het kind, omdat hij gescheiden zal worden van zijn stiefvader, die zijn asielprocedure in Nederland mag afwachten. Eiser stelt dat de stiefvader een belangrijke rol speelt in zijn verzorging. Eiser overlegt ter onderbouwing daarvan een brief van het UMC Groningen, waaruit de rol van de stiefvader rondom de operatie van eiser blijkt.
12. De rechtbank overweegt verder als volgt. Op grond van artikel 64 van de Vw [7] blijft uitzetting achterwege, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.
12.1.
In paragraaf A3/7.4.2 van de Vc [8] staat, voor zover hier van belang, dat de minister artikel 64 van de Vw niet toepast als de vreemdeling op grond van de Dublinverordening [9] wordt overgedragen aan een bij de verordening aangesloten lidstaat. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen aan de andere lidstaat, tenzij de vreemdeling met bewijsmiddelen aannemelijk maakt dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. De vreemdeling moet zijn aanvraag onderbouwen met een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, bewijs omtrent zijn medische situatie en medische stukken waaruit blijkt dat hij niet in staat is om fysiek te worden overgedragen aan de andere lidstaat.
13. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich allereerst op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet met medische stukken aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet naar Duitsland kan reizen. De minister heeft in zijn besluit opgenomen dat een arts voorafgaand aan de overdracht naar Duitsland zal beoordelen of eiser kan reizen (fit-to-fly of fit-to-travel-beoordeling). De minister heeft bovendien in het besluit toegezegd dat hij van overdracht aan Duitsland zal afzien als uit deze beoordeling volgt dat eiser niet kan reizen. [10] Inmiddels heeft een arts eiser op 19 december 2025 “fit to travel” verklaard en is eiser op 22 december 2025 overgedragen aan de Duitse autoriteiten. De minister heeft bovendien de Duitse autoriteiten op de hoogte gesteld van de medische problemen van eiser.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In de uitspraak van 14 februari 2025 [11] heeft de Afdeling [12] bevestigd dat de minister voor Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de passages in het AIDA-rapport waarnaar eiser verwijst, blijkt geen wezenlijk ander beeld dan uit het AIDA-rapport over Duitsland van april 2023 (update 2022), dat door de Afdeling in de uitspraak is betrokken. De enkele stelling dat eiser in Duitsland eerder geen medische hulp zou hebben gekregen, kan ook niet leiden tot vernietiging van het besluit. Allereerst staat door de uitspraak op het beroep in de asielprocedure van eisers moeder in rechte vast dat niet is gebleken dat eiser hierover geklaagd heeft bij de Duitse autoriteiten, dat de Duitse autoriteiten hem niet willen helpen of dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. [13] Eiser heeft voorts zijn stelling ook in de onderhavige procedure niet concreter gemaakt of met stukken onderbouwd.
15. Eisers stelling dat hij door de overdracht aan Duitsland wordt gescheiden van zijn stiefvader en dat de minister de belangen van het kind onvoldoende bij het bestreden besluit heeft betrokken, leidt naar het oordeel van de rechtbank ook niet tot vernietiging van het besluit. In de artikel 64 procedure toetst de minister of de medische toestand van eiser aanleiding is om uitstel van vertrek te verlenen. Daarbij hoeft de minister niet (ambtshalve) te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op de zitting op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de belangen van het kind onvoldoende in acht zijn genomen, aangezien eiser samen met zijn moeder en broertjes en zusjes zal worden overgedragen aan Duitsland. Verder staat door de uitspraak op het beroep in de asielprocedure van eisers moeder al in rechte vast dat de relatie tussen eiser en zijn (gestelde) pleegvader geen aanleiding is om de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen.

Conclusie

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen uitstel van vertrek krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummer AWB 25/21172.
3.Zaaknummer NL25.62088.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Dienst Terugkeer en Vertrek.
7.Vreemdelingenwet 2000.
8.Vreemdelingencirculaire 2000.
9.Verordening (EU) nr. 604/2013.
10.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2966).
12.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
13.De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 augustus 2025, zaaknummer NL25.35502.