ECLI:NL:RBDHA:2026:2879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 februari 2026
Zaaknummer
C/09/677706 / FA RK 24-9179
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 RvArt. 1:94 BWArt. 5 Verordening (EU) 2016/1103Art. 26 lid 1 Verordening (EU) 2016/1103
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met zorgregeling, kinderalimentatie en verdeling beperkte gemeenschap van goederen

De rechtbank Den Haag heeft op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man met Turkse nationaliteit en een vrouw met Nederlandse en Turkse nationaliteit. Partijen zijn gehuwd in 2021 en hebben een minderjarig kind met Nederlandse nationaliteit. De rechtbank verklaarde het verzoek tot echtscheiding gegrond, aangezien het huwelijk duurzaam is ontwricht en de man dit niet betwistte.

De hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind is vastgesteld bij de vrouw. De omgangsregeling blijft voorlopig ongewijzigd en wordt aangehouden tot 15 september 2026 in afwachting van ouderschapsbemiddeling. De rechtbank stelde de kinderalimentatie vast op €302 per maand, gebaseerd op een draagkrachtberekening waarbij het inkomen van de man op €2.500 bruto per vier weken werd gesteld en de vrouw een minimale draagkracht van €25 heeft.

Het huurrecht van de echtelijke woning wordt aan de man toegekend, omdat de vrouw onvoldoende inkomen heeft om de huur te betalen en de man hiermee instemde. De rechtbank bepaalde dat de beperkte gemeenschap van goederen wordt verdeeld: de laptop, horloge, opladers, iPhone en autosleutel worden aan de man toegewezen, waarbij hij €75 aan de vrouw betaalt; de auto wordt verkocht en de opbrengst wordt gelijk verdeeld; bankrekeningen worden per peildatum bij helfte verdeeld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, hoofdverblijfplaats bij moeder, kinderalimentatie €302 per maand, huurrecht aan vader toegewezen en beperkte gemeenschap van goederen verdeeld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9179 (echtscheiding)
FA RK 25-2177 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/677706 (echtscheiding)
C/09/682327 (verdeling)
Datum beschikking: 15 januari 2026

Scheiding

Beschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Koyak te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.D. Bauman te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 3 januari 2025 van de zijde van de vrouw, met als bijlage het betekeningsexploot;
  • het F9-formulier van 15 januari 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van 17 januari 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 12 februari 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 27 februari 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van 11 maart 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 11 maart 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 3 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 8 december 2025 van de zijde van de man, met bijlagen.
Op 18 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat en tolk;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • De man en de vrouw zijn op [datum] 2021 te [plaats 1] ([land]) gehuwd.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats].
  • De man en de vrouw oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
  • [minderjarige] verblijft bij de vrouw.
  • De man heeft de Turkse nationaliteit en de vrouw de Nederlandse en Turkse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Nederlandse nationaliteit.
  • Deze rechtbank heeft op 17 april 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:
- dat [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
- dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben vanaf 26 april 2025 iedere zaterdag van 10.00 uur tot 13.00 uur, onder begeleiding van de vrouw dan wel de broer of een van de zussen van de vrouw, buiten de echtelijke woning;
- dat partijen zijn doorverwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan ouderschapsbemiddeling;
- de man met ingang van 28 februari 2025 voorlopig € 416,- per maand aan kinderalimentatie voldoet.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
  • bepaling dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over [minderjarige];
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw;
  • vaststelling van een omgangsregeling, inhoudende dat de man en [minderjarige] contact hebben:
- in onderling overleg te bepalen dagen tijdens vakanties mocht de man in [land] verblijven;
- iedere zaterdag van 12.00 uur tot 15.00 uur onder begeleiding van [zorginstantie] mocht de man in Nederland verblijven;
  • vaststelling van een kinderalimentatie van € 670,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum verzoekschrift, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht;
  • toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2];
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt:
- verdeling van de inboedel bij helfte;
-
primairde auto met het merk Acura ZDV en kenteken [kenteken] aan de man toedelen onder de voorwaarde dat de man een bedrag van € 12.000,- aan de vrouw zal voldoen,
subsidiairte bepalen dat de auto verkocht dient te worden waarbij met de verkoopopbrengst de inbreng van de vrouw van
€ 12.000,- vergoed zal worden;
- verdeling bij helfte van het saldo op de betaal- en spaarrekening van de man met op het rekeningnummer met [rekeningnummer] per peildatum;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien verzoekt de man zelfstandig te bepalen:
- dat hij, eventueel met een opbouw, één weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur omgang heeft met [minderjarige], alsmede de helft van de zomervakantie, dan wel enige andere zorgregeling als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing.
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
De ouders hebben geen ouderschapsplan overgelegd zoals omschreven in artikel 815 tweede Pro lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In de wet is voorgeschreven dat een ouderschapsplan een processuele eis is bij een verzoek tot echtscheiding. Daarom heeft de rechtbank de bevoegdheid om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment niet mogelijk is om een door beide ouders akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. Daarom zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Gezag
Het verzoek ten aanzien van het gezag is op de zitting door de vrouw ingetrokken, zodat de rechtbank daarop niet meer hoeft te beslissen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw bepaald kan worden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen, nu ook niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen hebben beiden een verzoek gedaan over een zorgregeling tussen de man en [minderjarige].
Tijdens de zitting is gebleken dat de ouderschapsbemiddeling, waar partijen bij voorlopige voorzieningen naar zijn doorverwezen, binnenkort zal starten. Partijen zijn het er daarom over eens dat de zorgregeling die in de vorige beschikking is bepaald voorlopig kan worden voortgezet en dat zij bij de ouderschapsbemiddeling gaan praten over op welke manier de regeling zo uitgebreid kan worden dat [minderjarige] uiteindelijk onbegeleid bij de man zal kunnen zijn. De rechtbank zal de zaak in afwachting van het verloop van dit traject tot 15 september 2026 pro forma aanhouden .
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek.
Op het verzoek tot vaststelling van een kinderalimentatie zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de bijdrage van de man in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] naar redelijkheid met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen, gelet op het feit dat er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is vastgesteld.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2025 € 871,- is, zoals in de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgesteld. Gelet op het feit dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie in 2026 is gelegen, zal de rechtbank de behoefte indexeren naar 2026. De behoefte bedraagt dan € 911,-.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een WIA-uitkering en een uitkering Toeslagenwet van € 1.605,- bruto per maand, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8% . De rechtbank gaat hierbij uit van de uitkeringsspecificaties van september, oktober en november 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI op € 1.873,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht man
De vrouw stelt dat voor de draagkracht van de man rekening gehouden moet worden met een geschat inkomen van ongeveer € 6.000,- bruto per maand. De man werkte altijd als ZZP’er en is voor een lager salaris in loondienst gegaan. Het is een verwijtbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies volgens haar. Het kan daarom van de man worden verwacht dat hij weer meer inkomen gaat genereren.
De man betwist de stelling van de vrouw. Door de Wet DBA is de man niet meer werkzaam als ZZP’er. Hij is in loondienst gegaan met een contract voor bepaalde tijd. Hier zijn loonstroken van overgelegd. Dit contract is niet verlengd en de man werkt daarom op dit moment op uitzendbasis. De man vindt daarom dat er niet gerekend kan worden met het (hoge) bedrag aan winst uit onderneming en ook niet met een ander geschat bedrag aan inkomen.
De rechtbank stelt voorop dat zij vindt dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er niet uitgegaan moet worden van een geschat inkomen zoals door de vrouw is gedaan. De rechtbank kan niet, zoals door de vrouw aangevoerd, op basis van facturen bepalen wat de winst van de man was. Temeer omdat de man aangeeft dat een deel van de facturen niet klopt. De rechtbank kan op basis daarvan niet bepalen wat de draagkracht van de man is.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat de man heeft aangegeven dat het niet (meer) mogelijk is om als ZZP’er geld te verdienen, mede gelet op de recent aangescherpte wetgeving rondom ZZP’ers. Ter onderbouwing hiervan heeft de man een brief overgelegd van zijn voormalige opdrachtgever [bedrijfsnaam 1] B.V.. De rechtbank kan daarom de stelling van de man volgen dat hij niet verder kon werken als ZZP’er.
De rechtbank zal daarom aan de zijde van de man rekening houden met een inkomen van
€ 2.500,- bruto per vier weken, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8%. Hierbij gaat de rechtbank uit van het (hogere) salaris zoals hij dat tijdens zijn dienstbetrekking in 2025 bij [bedrijfsnaam 2] B.V. had en niet van zijn huidige loon van [bedrijfsnaam 3]. De rechtbank is van oordeel dat de man in ieder geval geacht moet worden dit inkomen te kunnen verwerven.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op € 2.567,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.567 – (770 + 1.365)] = € 302,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen gezamenlijk is (€ 25,- + € 302,- =) € 327,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan en draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 584,- (€327,- -
€ 911,-) per maand.
Net als bij de voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank ook in deze procedure geen aanwijzingen dat de werkelijke woonlasten van partijen duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het woonbudget. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) zal de rechtbank daarom het woonbudget (0,3 x NBI) bij beide ouders toepassen.
Zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 10%. De zorgkorting bedraagt dan € 91,- per maand (10% van € 911,-).
Omdat sprake is van een tekort van € 584,- per maand en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting van € 91,-, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige].
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man een kinderalimentatie van
€ 302,- per maand voor [minderjarige] aan de vrouw moet voldoen.
De rechtbank merkt nog op dat de man op de zitting heeft aangegeven dat er over een aantal maanden een kind geboren gaat worden waarvan hij de vader is. Gelet op het feit dat dit kind nog niet geboren is, en er ook niets duidelijk is over het inkomen van de moeder van dit kind, heeft de rechtbank hier geen rekening mee gehouden in de berekening van de kinderalimentatie voor [minderjarige].
Huurrecht
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt het huurrecht van de echtelijke woning aan de man toe te bedelen, omdat zij niet voldoende inkomen heeft om de maandelijkse huur te betalen.
De man stemt in met het verzoek.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de man de huurder zal zijn van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2].
Verdeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Omdat partijen zijn gehuwd na 29 januari 2019 is op het huwelijksvermogensstelsel van partijen de Verordening Huwelijksvermogensstelsel (Verordening (EU) 2016/1103) van toepassing. Niet gesteld of gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben gemaakt. Op grond van artikel 26 lid 1 onder Pro a van de Verordening wordt het huwelijksvermogensstelsel daarom beheerst door het recht van het land waar partijen na de huwelijkssluiting de eerste gewone verblijfplaats hadden. Partijen hadden hun eerste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats na sluiting van het huwelijk in Nederland. Daarom is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Beperkte gemeenschap van goederen
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2021 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestaat.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 20 december 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen naar voren gebracht die in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vallen:
Inboedel;
Auto Acura ZDX met kenteken [kenteken];
Bankrekening met [rekeningnummer].
Ad. a. Inboedel
De rechtbank zal de laptop aan de man toedelen en hij zal hiervoor een bedrag van € 75,- aan de vrouw voldoen. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de vrouw de laptop aan de man geeft op het omgangsmoment op 3 januari 2026.
Partijen zijn het daarnaast erover eens dat aan de man zal ook worden toebedeeld, zonder nadere verrekening, een horloge, twee opladers, een IPhone en de autosleutel. De rechtbank zal derhalve dienovereenkomstig beslissen. De vrouw heeft daarbij aangegeven deze goederen niet in haar bezit te hebben, maar dat ze deze aan de man zal doen toekomen als zij deze ergens aantreft.
Voor wat betreft de overige inboedel staat ter discussie of deze wel of niet verdeeld is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de inboedel, in zoverre dat thans nog niet is gebeurd, bij helfte gedeeld moet worden.
Ad. b. Auto
Partijen zijn het erover eens dat de man de auto zal verkopen. De helft van de opbrengst hiervan zal aan de vrouw toekomen.
Ad. c. Bankrekeningen
De vrouw stelt dat de saldi van de rekeningen per peildatum moet worden verdeeld. De man is het hier niet mee eens, omdat de vrouw volgens hem belastinggeld dat binnenkwam heeft opgeëist.
De rechtbank overweegt dat zij geen stukken gezien heeft waaruit zij kan herleiden of hetgeen de man heeft aangevoerd klopt. De rechtbank zal daarom bepalen dat de bankrekeningen per peildatum bij helfte dienen te worden gedeeld. Voor zover de man thans nog niet een bankafschrift van zijn rekening heeft overgelegd aan de vrouw, dient hij dat uiterlijk binnen een week na de beschikking te doen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2021 te [plaats 1] ([land]);
*
bepaalt dat de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats],
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat [minderjarige] bij de man zal zijn
voorlopigiedere zaterdag van 10.00 uur tot 13.00 uur, onder begeleiding van de vrouw dan wel de broer of een van de zussen van de vrouw, buiten de echtelijke woning;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 302,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurder zal zijn van de woonruimte aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2];
*
stelt de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. de inboedel van partijen wordt verdeeld in die zin dat:
a. de laptop wordt toegedeeld aan de man, onder de verplichting om een bedrag van € 75,- aan de vrouw te voldoen;
b. een horloge, twee opladers, een IPhone en de autosleutel worden toegedeeld aan de man, zonder nadere verrekening;
c. de overige inboedel, voor zover dat thans nog niet het geval is, bij helfte moet worden gedeeld;
2. de auto van partijen wordt door de man verkocht, onder de verplichting de helft van de opbrengst aan de vrouw te voldoen;
3. de bankrekeningen van de man zullen worden toegedeeld aan de man, de bankrekeningen van de vrouw zullen worden toegedeeld aan de vrouw, waarbij de saldi op die rekeningen per peildatum bij helfte dienen te worden verdeeld en de man uiterlijk een week na de beschikking een afschrift van zijn bankrekening(en) aan de vrouw overlegt voor zover hij dat nog niet heeft gedaan;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van de beslissing tot echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van
de zorgregelingaan tot
15 september 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 januari 2026.