ECLI:NL:RBDHA:2026:288

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.49582
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek om proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedure

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, wordt het verzoek van de verzoeker om een proceskostenveroordeling tegen de minister van Asiel en Migratie toegewezen. De verzoeker, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. M.F. Wijngaarden, had een beroepschrift ingediend tegen een besluit van de minister van 5 september 2025, waarin werd vastgesteld dat de verzoeker meerderjarig is. Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk NL25.46566. De verzoeker vroeg om een voorlopige voorziening om het bestreden besluit te schorsen, met de argumentatie dat zijn geboortedatum onjuist was vastgesteld. Op 5 december 2025 trok de verzoeker zijn verzoek om voorlopige voorziening in, omdat de minister zijn voornemen tot overplaatsing had ingetrokken. Echter, het verzoek om proceskostenveroordeling bleef gehandhaafd.

De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om proceskostenveroordeling. De minister heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen deze veroordeling. De voorzieningenrechter heeft vervolgens zonder zitting uitspraak gedaan en het verzoek om proceskostenveroordeling toegewezen. De proceskosten zijn berekend op € 934,-, aangezien de verzoeker zich had laten bijstaan door een gemachtigde die een proceshandeling had verricht. De minister is veroordeeld tot betaling van deze kosten aan de rechtsbijstandverlener, omdat aan de verzoeker een toevoeging was verleend. De voorzieningenrechter concludeert dat de minister met de intrekking van het voornemen aan het verzoek van de verzoeker is tegemoetgekomen, wat de basis vormt voor de toewijzing van het verzoek om proceskostenveroordeling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49582
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten.
2. Verzoeker heeft een beroepschrift ingediend tegen het besluit van de minister van 5 september 2025, voor zover dit de vaststelling betreft dat eiser meerderjarig is. Dit beroep is geregistreerd met kenmerk NL25.46566.
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen voor zover de geboortedatum daarin op [geboortedatum] 2006 is gesteld, tot op het beroep is beslist dan wel tot 16 januari 2026 - de datum dat verzoeker volgens eigen opgave 18 jaar oud wordt, met veroordeling van verweerder in de proceskosten.
4. Verzoeker heeft op 5 december 2025 in het kader van het verzoek om een voorlopige voorziening verzocht om een ordemaatregel tegen een op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 met een besluit gelijkgesteld voornemen van verweerder van 5 december 2025, waarin kenbaar is gemaakt dat verzoeker op 8 december 2025 zal worden overgeplaatst naar een opvanglocatie voor meerderjarigen, te weten de noodopvang in [plaats] . Het verzoek is dat het in beroep bestreden besluit wordt geschorst voor zover verzoekers geboortedatum daarin is bepaald op [geboortedatum] 2006, en verweerder op te dragen verzoeker tot 16 januari 2026 te behandelen als minderjarige.
5. Hij heeft het verzoek om een voorlopige voorziening – en daarmee ook het verzoek om een ordemaatregel - ingetrokken omdat de minister op 5 december 2025 dit voornemen tot overplaatsing heeft ingetrokken en in plaats daarvan heeft besloten om eiser niet eerder dan per 16 januari 2026 over te plaatsen. Verzoeker heeft het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten gehandhaafd.
6. De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek De minister heeft de rechtbank bij brief van 9 december 2025 meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen een proceskostenveroordeling.
7. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.1

Beoordeling door de voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
9. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.2
10. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.3

Is de minister aan het verzoek tegemoetgekomen?

11. De minister is met de intrekking van het voornemen van 5 december 2025 aan verzoeker tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen.4 Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.5 Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
12. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de minister met de intrekking van het voornemen aan het verzoek van verzoeker is tegemoetgekomen. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om de minister in de proceskosten te veroordelen toe.
1. Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten
bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3 Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4 Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5 Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Welke kosten dient de minister te vergoeden?
13. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,-. De voorzieningenrechter wijst erop dat voor deze procedure geen griffierecht is verschuldigd, zodat de minister niet griffierecht hoeft te vergoeden. Dat betekent dat de totale proceskosten die de minister moet vergoeden € 934,- bedragen. Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
08 januari 2026
Mr. M.E.A. Braeken , Rechter
P. Bruins, Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.