ECLI:NL:RBDHA:2026:293
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om proceskostenvergoeding in bestuursrechtelijke procedure
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over een verzoek van de verzoeker om vergoeding van proceskosten na het intrekken van zijn beroep. De verzoeker had eerder beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij de minister binnen acht weken moest beslissen op de nareisaanvraag van de verzoeker. Na het nemen van een besluit door de minister op 18 september 2025, heeft de verzoeker zijn beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten. De minister weigerde echter deze kosten te vergoeden.
De rechtbank heeft overwogen dat het niet nodig was om partijen uit te nodigen voor een zitting. Volgens de wet kan de bestuursrechter het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten als de indiener van het beroep intrekt omdat het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan het beroepschrift. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister inderdaad tegemoet is gekomen aan het beroep van de verzoeker door een besluit te nemen op de aanvraag.
De rechtbank heeft verder vastgesteld dat het beroep is ingesteld op 1 september 2025, terwijl de rechterlijke dwangsom nog niet was verbeurd. Dit betekent dat er procesbelang blijft bestaan. De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen en de minister veroordeeld tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de verzoeker om vrijstelling van griffierecht toegewezen, waardoor de minister niet verplicht is om het griffierecht te vergoeden.