Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 17 januari 2024, waarna de minister de uiterste beslistermijn van 21 maanden overschreed. Eiser stelde de minister op 1 december 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in, wat volgens de rechtbank gegrond is.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Deze termijn is verlengd ten opzichte van de standaard twee weken, vanwege het belang van zorgvuldige besluitvorming en het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Verder wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 467, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en de aard van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 20 januari 2026.