De zaak betreft een beroep van eiser tegen de minister van Asiel en Migratie vanwege het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder had de rechtbank bij uitspraak van 15 september 2025 een termijn van twee weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. Deze termijn is inmiddels verstreken zonder dat een besluit is genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn bevatte. De minister heeft niet binnen de gestelde termijn een besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken vast, waarbij rekening is gehouden met het belang van snelle en zorgvuldige besluitvorming en het feit dat de wettelijke termijn van 21 maanden voor de behandeling van de aanvraag is overschreden. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,- voor het geval de minister niet binnen deze termijn beslist.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp en de aard van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 27 januari 2026.