Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 13 september 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 15 december 2025 in gebreke, maar het beroep werd pas daarna ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De minister had aanvankelijk de beslistermijn verlengd met negen maanden, maar deze verlenging is ingetrokken, waardoor de termijn weer zes maanden bedraagt. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Ook veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en het beperkte onderwerp van het beroep.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 5 februari 2026. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.