ECLI:NL:RBDHA:2026:2988
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Koerdische Turk wegens onvoldoende aannemelijkheid negatieve belangstelling Turkse autoriteiten
Eiser, een Koerdische Turk en voormalig lid van de DBP, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. De minister erkende het risicoprofiel van eiser vanwege zijn politieke activiteiten, maar vond onvoldoende bewijs dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging had.
Eiser voerde aan dat zijn weigering om informant te worden en de betrokkenheid van zijn familie bij de HDP/DEM hem een verhoogd risico opleverde, mede door de veranderde situatie na zijn illegale uitreis. De rechtbank beperkte het geschil tot de vraag of eiser aannemelijk had gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had geoordeeld dat eiser dit niet had aangetoond, mede omdat eiser na zijn weigering nog geruime tijd zonder problemen in Ankara verbleef en de autoriteiten hem niet benaderden. Ook de algemene landeninformatie en het ontbreken van concrete aanwijzingen voor vervolging of registratie in systemen ondersteunden dit oordeel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees de asielaanvraag af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J. Janssen op 27 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag.