ECLI:NL:RBDHA:2026:2998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL26.5464
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 4.39 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van zware gronden in vreemdelingenrecht

Eiser, een Oezbeekse nationaliteit dragende vreemdeling, is op 1 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is gebaseerd op zware gronden waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland (3a) en het onttrekken aan toezicht (3b).

Eiser betwist de grond 3i en voert aan dat hij asiel heeft aangevraagd en dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. De rechtbank oordeelt dat de zware gronden 3a en 3b terecht zijn toegepast. Eiser is met een Kroatisch D-visum naar Kroatië gereisd, heeft daar een verblijfsvergunning verkregen, maar is vervolgens doorgereisd naar Nederland zonder terug te keren naar Kroatië, waardoor zijn verblijf in Nederland illegaal is.

Daarnaast heeft eiser zich niet gemeld bij de korpschef, wat een vereiste is voor toezicht, ondanks dat hij zich bij de gemeente heeft gemeld voor een BSN. De rechtbank acht de maatregel van bewaring daarom gerechtvaardigd en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK [plaats]

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5464

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting in Breda behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994 en heeft de Oezbeekse nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
3. Eiser voert daartegen aan dat de zware grond 3i ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag is gelegd. Eiser heeft namelijk asiel aangevraagd. Aan eiser kan daarom niet worden tegengeworpen dat hij niet terug wil naar zijn land van herkomst. Daarnaast wordt ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij geen vaste woon- en verblijfsplaats heeft. In het proces-verbaal van aanhouding van 4 november 2025 staat vermeld dat eiser formulieren heeft laten zien van het ministerie van Binnenlandse Zaken over een tijdelijke woninginschrijving in [plaats] .
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Uit de stukken blijkt dat eiser op 4 april 2024 met een Kroatisch D-Visum naar Kroatië is gereisd met het doel daar te gaan werken. Eiser heeft tijdens het gehoor voor de inbewaringstelling verklaard dat hij in Kroatië een maand heeft verbleven en daar een verblijfsvergunning heeft verkregen. Eiser is vervolgens doorgereisd naar Nederland. Eiser is nadien niet meer terug gekeerd naar Kroatië. Eisers verblijfsvergunning aldaar is verlopen, terwijl eiser zich ophield in het Schengengebied. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat eiser bij inreis in het Schengengebied niet heeft gemeld dat zijn doel doorreis naar Nederland was. Verweerder overweegt terecht dat eiser weliswaar met een paspoort en visum de Europese Unie is ingereisd, maar dat hij zijn verblijf niet volgens het opgegeven doel in Kroatië heeft gecontinueerd. Gelet daarop is de inreis van eiser in Nederland illegaal.
Ook de zware grond 3b heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen. Eiser heeft zich in de langdurige periode tussen zijn inreis in Nederland en zijn aanhouding niet gemeld bij de korpschef. [1] Dat eiser zich heeft gemeld bij de gemeente voor een BSN is niet van belang nu de korpschef de daartoe aangewezen instantie is. [2]
5. Deze zware gronden 3a en 3b zijn samen voldoende om de maatregel van
bewaring te kunnen dragen. Een risico op onttrekking aan het toezicht is daarmee gegeven. Wat eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de overige gronden hoeft daarom niet meer te worden besproken.
6. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van
het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is op 16 februari 2026 gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zoals artikel 4.39 van het Vb vereist.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3778.