ECLI:NL:RVS:2019:3778
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
Bij besluit van 8 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank Den Haag had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde hiertegen hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de maatregel rechtsgeldig was ondertekend en dat de gronden voor bewaring voldoende gemotiveerd waren, met name dat de vreemdeling zich mogelijk aan toezicht zou onttrekken en niet beschikte over voldoende middelen van bestaan.
Verder oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris terecht geen toepassing gaf aan artikel 59, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat niet aan alle voorwaarden was voldaan. Ook was de voortvarendheid van de staatssecretaris bij de voorbereiding van de uitzetting voldoende.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.