Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum voor kort verblijf. De minister heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist, waarna eiseres beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eiseres de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld.
De rechtbank stelt vast dat het beroep terecht en gegrond is. Er is geen verzoek om een langere beslistermijn ingediend en er zijn geen bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen. Daarom legt de rechtbank een nadere beslistermijn van twee weken op, ingaande na de dag van verzending van de uitspraak.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-, voor het geval de minister niet binnen de gestelde termijn beslist. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en een deel van de proceskosten van eiseres, omdat zij een professionele gemachtigde heeft ingeschakeld.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier A.W. van Eerden op 13 februari 2026. Eiseres krijgt gelijk en de minister moet binnen twee weken alsnog een besluit nemen op het bezwaar.