De zaak betreft het beroep van een vreemdeling tegen een inreisverbod van twee jaar dat door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. Eiser verblijft sinds midden jaren negentig illegaal in Nederland en heeft een verblijfsrecht in Groot-Brittannië. Na een terugkeerbesluit en een periode van medische behandeling in een kliniek, is het inreisverbod opgelegd omdat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen, zich aan toezicht heeft onttrokken en niet binnen de gestelde termijn is vertrokken.
Eiser voerde aan dat het inreisverbod onredelijk is vanwege zijn kwetsbare medische toestand en dat het verhoor onzorgvuldig was omdat het in het Engels werd afgenomen zonder advocaat. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser, die inmiddels uit de kliniek is ontslagen en waarbij geen verlenging van zorgmelding noodzakelijk werd geacht. Ook is vastgesteld dat eiser de Engelse taal voldoende machtig was en dat het verhoor zorgvuldig is verlopen zonder noodzaak voor rechtsbijstand.
De rechtbank concludeert dat het besluit niet onzorgvuldig, onevenredig of onredelijk is genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.