ECLI:NL:RBDHA:2026:3043

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
SGR 25/3047
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 5.3 WooArt. 10 lid 2 onder e WobArt. 5.5 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt besluit gemeente Den Haag over openbaarmakingsverzoek short stay-documenten

Eisers, actief in de short stay-sector in Den Haag, deden op 18 oktober 2019 een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van documenten over bestuurlijke aangelegenheden rondom short stay. De gemeente verstrekte aanvankelijk documenten, maar eisers maakten bezwaar tegen de volledigheid. Na meerdere besluiten en bezwaren stelde de gemeente uiteindelijk een bestreden besluit vast op 10 maart 2025.

Eisers voerden aan dat de gemeente niet alle relevante documenten had verstrekt, met name over overleggen in mei 2019 en januari 2020. De rechtbank oordeelde dat de gemeente onvoldoende inzichtelijk had gemaakt hoe de zoekslagen waren verricht en dat niet alle redelijke inspanningen waren gedaan om documenten te achterhalen. Ook achtte de rechtbank het aannemelijk dat meer documenten onder de gemeente berusten.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en beval de gemeente binnen twee maanden een nieuwe zoekslag te verrichten en opnieuw te beslissen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd de gemeente veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de gemeente wordt opgedragen een nieuwe zoekslag te verrichten en opnieuw te beslissen binnen twee maanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3047

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. A. de Groot)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. N.F. Giorgi).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het besluit op hun openbaarmakingsverzoek.
1.1.
Op 18 oktober 2019 hebben eisers een verzoek gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder heeft op 6 april 2020 een besluit genomen op dit verzoek. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Verweerder heeft het bezwaar met het besluit van 12 mei 2021 gegrond verklaard. Op 22 juni 2023 heeft verweerder een aanvullend besluit genomen. Tegen dit aanvullende besluit hebben eisers opnieuw bezwaar gemaakt. Met het besluit van 10 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 22 juni 2023 herroepen.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eisers sub 1], de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door mr. [naam].

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
2. Eisers zijn actief in de short stay-sector in Den Haag. Op 18 oktober 2019 hebben eisers aan verweerder verzocht om openbaarmaking van documenten over onder andere alle bestuurlijke aangelegenheden op het terrein van short stay.
2.1.
Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eisers met het besluit van 6 april 2020 14 documentensets van in totaal 892 pagina’s verstrekt. De persoonsgegevens zijn onleesbaar gemaakt op grond van artikel 10, lid 2, onder e, van de Wob. Ook zijn enkele passages in documenten onleesbaar gemaakt, omdat deze persoonlijke beleidsopvattingen zouden bevatten. Na het bezwaar van eisers heeft verweerder een nieuwe zoekslag uitgevoerd. Met het aanvullende besluit van 22 juni 2023 heeft verweerder 8 documenten aan eisers verstrekt op grond van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo). Na het daarop volgende bezwaar van eisers heeft verweerder dit aanvullende besluit herroepen met het bestreden besluit van 10 maart 2025. In dat besluit heeft verweerder een toelichting gegeven op het documentenonderzoek. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren verschillende beroepsgronden aan.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers stellen zich op het standpunt dat het aannemelijk is dat verweerder nog steeds niet alle documenten heeft verstrekt. Er ontbreken namelijk documenten over een overleg dat medio mei 2019 heeft plaatsgevonden tussen twee wethouders. Eveneens ontbreken documenten over een overleg dat op 23 januari 2020 plaatsvond op directieniveau. Deze bijeenkomsten moeten zijn voorbereid. Het is ook niet snel denkbaar dat er geen verslaglegging of terugkoppeling van deze bijeenkomsten heeft plaatsgevonden en ook niet dat deze bijeenkomsten geen vervolgacties hebben gehad. Het is onwaarschijnlijk dat er geen e-mails en berichten zijn aangetroffen. Eisers wijzen ook op een aanbeveling aan de gemeente van de Gemeentelijk ombudsman van 20 april 2020 om beleid te ontwikkelen over short stay. Deze aanbeveling kan niet zonder schriftelijke vastlegging zijn afgewikkeld. Eisers concluderen dat de zoekslag van verweerder te beperkt is geweest en dat verweerder niet al het mogelijke heeft gedaan om documenten te achterhalen. Verweerder heeft de zoekslag volgens eisers ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt.
Wat zijn de regels?
4. Ten tijde van het informatieverzoek van eisers was de Wob van toepassing. Per 1 mei 2022 is de Wob ingetrokken en de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Vanaf die dag is de Woo op het informatieverzoek van toepassing.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers gegrond is.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is de reikwijdte van het informatieverzoek?
6. Op 18 oktober 2019 hebben eisers verzocht om stukken te verstrekken over, voor zover relevant, alle bestuurlijke aangelegenheden op het terrein van short stay in de meest brede zin van het begrip, waaronder wonen, logies, bedrijfsmatige verhuur, verhuur via AirBnb, Booking.com, verhuurbemiddeling, etc. Als specialis binnen het verzoek hebben eisers genoemd alle bestuurlijke aangelegenheid rondom het onderwerp van short stay in de ruimste zin van het begrip door en bij de Haagse Pand Brigade, de Bibob-procedure die de gemeente heeft geïnitieerd tegen verzoekers en de bestuurlijke aangelegenheid van overleggen met de short stay branche, waaronder het wethoudersoverleg dat op of omstreeks 15 mei 2019 heeft plaatsgevonden. In hetzelfde verzoek hebben eisers eveneens een verzoek gedaan op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Dat verzoek zag op alle over eisers verwerkte gegevens in de periode van 18 juni 2014 tot en met de dag van het besluit.
6.1.
Partijen hebben op de zitting desgevraagd naar voren gebracht dat er geen afspraken zijn gemaakt over de afbakening van het Wob-verzoek. Eisers hebben toegelicht dat het einde van de onderzoeksperiode in hun visie medio 2020 is. Verweerder heeft toegelicht dat de datum van het verzoek, in dit geval 18 oktober 2019, normaliter als einddatum geldt. Verweerder heeft daarbij onderkend dat in de zoekslagen wel het overleg van 23 januari 2020 is betrokken.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moet als einddatum van de onderzoeksperiode, bij gebrek aan concrete afspraken van partijen en gelet op het gegeven dat verweerder in de zoekslagen ook het overleg van 23 januari 2020 heeft betrokken, de datum van het primaire besluit worden aangehouden. De einddatum van de onderzoeksperiode is daarmee 6 april 2020.
Is de zoekslag voldoende inzichtelijk?
7. De rechtbank stelt voorop dat het bestuursorgaan bij besluiten over de openbaarmaking van documenten voldoende inzichtelijk moet maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Daaruit moet blijken dat de verrichte zoekslag zorgvuldig is geweest. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten is gemaakt [1] .
7.1.
Wanneer het bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde informatie niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, deze informatie toch onder het bestuursorgaan berust [2] . Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan niet ongeloofwaardig voorkomt, wordt betrokken op welke wijze het onderzoek is uitgevoerd [3] .
7.2.
Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eisers twee zoekslagen verricht. In het verweerschrift heeft verweerder voor het eerst een toelichting gegeven op de eerste zoekslag. Verweerder heeft naar voren gebracht dat bij die eerste zoekslag functionarissen van de Haagse Pandbrigade van de Dienst stedelijke ontwikkeling en een functionaris van de afdeling Wonen zijn bevraagd. Dit zijn afdelingen en functionarissen die betrokken zijn geweest bij het onderwerp short stay. Ook zijn de functionarissen bij het overleg van 23 januari 2020 bevraagd.
7.3.
Verweerder heeft de tweede zoekslag voor het eerst toegelicht in het bestreden besluit van 10 maart 2025 en in het verweerschrift. Verweerder heeft daarin toegelicht dat verschillende medewerkers van de dienst Bedrijfsvoering en de Dienst stedelijke ontwikkeling zijn bevraagd en dat aanvullend onderzoek is gedaan op beschikbare netwerkschijven, in Outlook en in telefoons. Volgens verweerder is bij dit onderzoek gebleken dat geen verslag is gemaakt van het overleg van 23 januari 2020.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat zorgvuldig onderzoek is gedaan naar aanleiding van het verzoek om openbaarmaking. Uit de toelichting door verweerder op de zitting is gebleken dat verweerder niet precies kan reconstrueren hoe naar documenten is gezocht. Verweerder heeft verder slechts in algemene zin toegelicht dat betrokken functionarissen en systemen zijn onderzocht. Verweerder heeft niet specifiek gemaakt welke vragen de betrokken medewerkers hebben gekregen en ook niet in welke systemen is gezocht en welke zoektermen daarbij zijn gebruikt. Op de zitting is toegelicht dat de zoekslag destijds niet goed is gedocumenteerd. Verweerder kan niet zeggen of betrokken medewerkers van de afdeling Economie zijn bevraagd. Verweerder kan ook niet met zekerheid zeggen dat de e-mailboxen van de twee betrokken wethouders bij het onderzoek zijn betrokken. Dat lag te meer op de weg van verweerder, omdat eisers in hun verzoek specifiek hebben gerefereerd aan een wethoudersoverleg omstreeks 15 mei 2019. Verder is de rechtbank onduidelijk gebleven of is gezocht naar informatie op telefoons van betrokken functionarissen.
7.5.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande niet al het redelijkerwijze mogelijke gedaan om documenten te achterhalen. Het betoog over de zoekslag slaagt dus.
Is het aannemelijk dat er meer documenten onder verweerder berusten?
8. Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank ook aannemelijk gemaakt dat zich meer documenten onder verweerder berusten dan verweerder op grond van de verrichte zoekslagen bij de afhandeling heeft betrokken.
8.1.
Niet in geschil is dat de overleggen van medio mei 2019 en 23 januari 2020 hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat zich geen documenten onder verweerder berusten over deze overleggen. Verweerder heeft toegelicht dat van het overleg van 23 januari 2020 geen verslag is gemaakt. Dit betekent echter niet dat er geen andere documenten over dit overleg kunnen bestaan, zoals documenten waarmee het overleg is voorbereid, of e-mailwisselingen in de aanloop naar het overleg en volgend op het overleg. Uit de toelichting van verweerder kan de rechtbank niet opmaken dat verweerder hier specifiek naar heeft gezocht. Verweerder kan verder niet verklaren hoe het kan dat er niet meer documenten zijn in relatie tot het wethoudersoverleg van medio mei 2019. Uit de wel verstrekte e-mails volgt dat het in dit overleg over nieuw short staybeleid is gegaan en dat daarop een juridische toets zou volgen. Het is aannemelijk dat over nieuw te ontwikkelen beleid en de juridische toets daarvan documenten zijn opgesteld. Daarbij komt nog dat eisers in beroep een e-mail van een betrokken ambtenaar hebben overgelegd, waarin ook aan het wethoudersoverleg is gerefereerd, en die zich niet bevindt onder de door verweerder overgelegde documenten. Al met is het naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig dat zich onder verweerder niet meer documenten berusten in relatie tot de beide genoemde overleggen. De rechtbank betrekt hierbij ook haar overwegingen over de zorgvuldigheid van het onderzoek naar aanleiding van het verzoek van eisers. Ook dit betoog van eisers slaagt dus.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Eisers krijgen gelijk. Het bestreden besluit is gelet op het voorgaande in strijd met artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder moet een nieuwe zoekslag verrichten en opnieuw op het bezwaar beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft hiervoor een termijn van twee maanden na verzending van deze uitspraak. Verweerder zal in het nieuwe besluit ook aandacht moeten hebben voor artikel 5.3 van de Woo, waarin staat dat bij weigering van informatie die ouder is dan vijf jaar een verzwaarde motiveringsplicht geldt.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers een vergoeding van proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 10 maart 2025;
  • draagt verweerder op om binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1675.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5458.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743.