ECLI:NL:RBDHA:2026:3090

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL25.15012 en NL25.15014
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 8, aanhef en onder e, Vreemdelingenwet 2000Artikel 6.5, derde lid, Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER en inreisverbod op grond van Chavez-Vilchez

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende man, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER met betrekking tot zijn vermeende zorg- en opvoedingstaken voor een minderjarige Nederlandse dochter van zijn gestelde partner. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag en het verzoek tot opheffing van het inreisverbod afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen deze besluiten behandeld.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht voor de minderjarige, noch dat er een afhankelijkheidsrelatie bestaat die het vertrek van de minderjarige uit de EU zou veroorzaken. E-mails van de gestelde partner aan de IND waarin zij de relatie ontkent en afstand neemt van eiser, ondersteunen dit oordeel. Het herstel van de relatie is niet voldoende onderbouwd.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, omdat het niet leidt tot onrechtmatige scheiding van gezinsleden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsdocument en het verzoek tot opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.15012 en NL25.15014
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. van der Gouw).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvragen voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [1] en opheffing van het inreisverbod. De voorzieningenrechter beoordeelt eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvragen met het besluit van 12 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij [referente] (referente). Referente is de minderjarige dochter van de gestelde partner van eiser. Referente heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez [2] en daarom geen rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan [3] . Eiser heeft niet aangetoond dat hij zorg- en opvoedingstaken verricht voor referente en dat er een afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen hem en referente. Het bestreden besluit is ook niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM [4] .
2.2.
Verweerder heeft de aanvraag tot het opheffen van het inreisverbod afgewezen, omdat eiser niet voldoet de voorwaarden voor het opheffen van het inreisverbod [5] . Ook is er in het geval van eiser geen sprake van bijzondere feiten en omstandigheden.
2.3.
Verweerder heeft twee andere aanvragen van eiser ook afgewezen. De rechtbank heeft de beroepen tegen de afwijzingen van die aanvragen op dezelfde zitting behandeld onder de zaaknummers NL25.23040 en NL25.32307.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – twee gronden aan. Ten eerste voert eiser aan dat hij wel degelijk van zorg- en opvoedingstaken vervult voor referente. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte geen belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder geeft de rechtbank aan hoe tot dit oordeel is gekomen.
Chavez-Vilchez
5. De rechtbank stelt voorop dat het in de eerste plaats aan eiser is om aannemelijk te maken dat het weigeren van verblijfsrecht aan hem in Nederland tot het gevolg heeft dat referente de Europese Unie moet verlaten. Voor het aannemen van een daadwerkelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente is vereist dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht. Als eiser alleen zorg- en opvoedtaken met een marginaal karakter verricht of alleen omgang heeft met referente, dan bestaat geen daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding en loopt referente door de weigering van verblijf aan eiser niet het risico feitelijk te worden gedwongen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. [6]
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk zorg- en opvoedtaken verricht voor referente. De rechtbank acht hierbij van belang dat eisers gestelde partner in e-mails van 21 april 2025 en 18 juni 2025 aan de IND heeft aangegeven dat zij geen relatie meer heeft met eiser en dat zij en referente niks met hem te maken willen hebben. De stelling van eiser tijdens de zitting dat de relatie inmiddels is hersteld, kan eiser niet baten omdat hij dit niet heeft onderbouwd. Bovendien heeft de gemachtigde van eiser tijdens de zitting aangegeven dat hij namens eiser een nieuwe aanvraag zal indienen en dan het herstel van de relatie zal onderbouwen.
Artikel 8 van Pro het EVRM
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval deugdelijk gemotiveerd waarom het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank overweegt hiertoe dat verweerder heeft mogen betrekken dat het bestreden besluit niet tot gevolg heeft dat eiser wordt gescheiden van eventuele gezinsleden in Nederland, nu verweerder ten tijde van het bestreden besluit nog een besluit moest nemen op eisers aanvraag om een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘medische behandeling’.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [7] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000
2.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, Chavez-Vilchez en anderen (ECLI:EU:C:2017:354).
3.Zie artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Volgens artikel 6.5, derde lid, van het Vb en artikel 6.5b, tweede en derde lid, van het Vb.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 16 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:790), van 17 augustus 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1821) en van 14 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:458).
7.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.