ECLI:NL:RBDHA:2026:3098

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL25.27506 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen

Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 7 augustus 2025, waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk had verklaard. Opposant stelde dat de rechtbank ten onrechte het procesbelang had ontkend, omdat de dwangsom die aan de minister was opgelegd nog niet volledig was verbeurd.

De rechtbank heeft het verzet gegrond verklaard omdat zij onvoldoende rekening had gehouden met vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze rechtspraak bepaalt dat het procesbelang blijft bestaan zolang het bestuursorgaan nog geen besluit heeft genomen, ook als een eerdere dwangsom nog niet volledig is volgelopen.

Als gevolg hiervan vervalt de eerdere uitspraak en wordt het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. De rechtbank merkt op dat ook na hervatting het beroep alsnog niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Over de proceskosten zal in de einduitspraak worden beslist.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt hervat omdat het beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27506 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam opposant], opposant [1]
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [persoon A] ),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 augustus 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 7 augustus 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. Opposant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Volgens opposant heeft de rechtbank bij haar beoordeling van de zaak onvoldoende rekening gehouden met vaste rechtspraak, waaronder de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1684) en 27 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4865). Uit deze uitspraken volgt dat bij een beroep wegens niet tijdig beslissen het procesbelang van eiser blijft bestaan zolang het desbetreffende bestuursorgaan nog geen besluit heeft genomen, ook wanneer een eerder beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond is verklaard en de in die uitspraak opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. Opposant stelt dat de rechtbank, door deze rechtspraak niet in haar beoordeling te betrekken, ten onrechte heeft aangenomen dat het op 20 juni 2025 ingestelde beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat de dwangsom die aan de minister is opgelegd in de uitspraak van 26 februari 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:2340) nog niet volledig was volgelopen en opposant daarom geen procesbelang zou hebben.
6. Deze verzetgrond slaagt. Uit de door opposant aangevoerde uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024, overwegingen 6 en 6.1, blijkt dat opposant bij zijn beroep van 20 juni 2025 procesbelang had. Door deze rechtspraak niet in de beoordeling te betrekken, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de uitkomst van de zaak zonder redelijke twijfel vaststond. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was.

Conclusie en gevolgen

7. Uit de beoordeling van de grond van het verzet volgt dat de rechtbank in de uitspraak van 7 augustus 2025 ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk, dus buiten redelijke twijfel, niet-ontvankelijk was en de zaak ten onrechte zonder zitting heeft afgedaan. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan. Als voorlichting merkt de rechtbank op dat ook na de hervatting van het onderzoek het eindoordeel kan zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is.
8. De rechtbank zal in de einduitspraak op het beroep oordelen over de in deze verzetprocedure gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).