ECLI:NL:RBDHA:2026:310

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
AWB 26/241
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijf als gezinslid in afwachting bezwaar

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als gezinslid bij haar echtgenoot in Nederland. De minister heeft deze aanvraag afgewezen vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste en een negatieve belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening om haar te behandelen alsof zij in het bezit is van een mvv, zodat zij naar Nederland kan reizen. Zij stelt dat zij en haar echtgenoot al acht maanden gedwongen gescheiden leven en dat zij wel aan het middelenvereiste voldoet.

De voorzieningenrechter overweegt dat de gevraagde voorziening verstrekkend is en nagenoeg onomkeerbare gevolgen heeft. Toewijzing is daarom alleen mogelijk bij zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals een zwaarwegend spoedeisend belang en twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit.

De voorzieningenrechter oordeelt dat een zwaarwegend spoedeisend belang ontbreekt. De situatie van verzoekster en haar echtgenoot, hoewel betreurenswaardig, rechtvaardigt niet het toestaan van verblijf in Nederland tijdens de bezwaarprocedure. De termijn voor de bezwaarbeslissing is nog kort en het is redelijk dat verzoekster deze afwacht in Peru.

Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/241

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , verzoekster

V-nummer: [nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K. Diender).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de vraag of verzoekster naar Nederland mag komen in afwachting van het bezwaar dat zij heeft ingediend tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] ’. Verzoekster heeft hierom verzocht, omdat zij van mening is dat zij wel aan de voorwaarden voor afgifte van de gevraagde mvv voldoet en omdat zij en referent al acht maanden gedwongen gescheiden wonen. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Namens verzoekster is op 24 november 2025 een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘Verblijf als familie-of gezinslid bij [naam 2] ’ (referent). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 januari 2026 afgewezen.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De minister heeft op 7 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Vervolgens is het onderzoek op 8 januari 2026 gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder het verzoek ter zitting te hebben behandeld, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om hiervan gebruik te maken en dus om zonder zitting uitspraak te doen, en overweegt daartoe het volgende.
Feiten en omstandigheden
4. Verzoekster is geboren op [datum] en heeft de [nationaliteit] nationaliteit. Zij heeft op 24 november 2025 een aanvraag ingediend voor een mvv voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] .’ De heer [naam2] is de echtgenoot van verzoekster. Zij wensen samen in Nederland te wonen.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft de aanvraag van verzoekster met het besluit van 5 januari 2026 afgewezen, omdat niet aan het middelenvereiste wordt voldaan. Volgens de minister is het inkomen van referent niet duurzaam. Verder heeft de minister overwogen dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM [1] in het nadeel van verzoekster uitvalt.
Het verzoek
6. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om de minister op te dragen haar te behandelen als ware zij in het bezit van een mvv zodat zij naar Nederland kan reizen. Verzoekster voert daartoe aan dat zij al 8 maanden gedwongen gescheiden woont van referent. Verder stelt zij wel te voldoen aan het middelenvereiste. Subsidiair voert verzoekster aan dat de belangenafweging onjuist en onvolledig is.
7. De voorzieningenrechter overweegt dat de gevraagde voorziening dusdanig verstrekkend is dat niet langer gesproken kan worden van een voorlopig karakter. Immers als de gevraagde voorziening wordt toegewezen, zal verzoekster naar Nederland mogen komen als ware zij in het bezit van een mvv, terwijl nog een definitief oordeel moet worden gegeven op het door verzoekster ingediende bezwaar. Dit betekent dat de gevolgen van de gevraagde voorziening (nagenoeg) onomkeerbaar zijn. De voorzieningenrechter is om die reden van oordeel dat een dergelijk verzoek slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden voor toewijzing in aanmerking kan komen. Dit is slechts het geval als de nadelige gevolgen van de afwijzing van de aanvraag in verhouding tot de belangen van de minister bij de handhaving van die afwijzing zo onevenredig zijn dat de beslissing op het bezwaarschrift niet kan worden afgewacht. Daarvan is in beginsel alleen sprake als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit.
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster en referent graag bij elkaar willen zijn, zijn de door verzoekster naar voren gebrachte omstandigheden niet zodanig dat sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. De stelling van verzoekster dat zij en referent al 8 maanden noodgedwongen gescheiden leven en het niet humaan is een jong getrouwd stel zo lang uit elkaar te houden is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat de aanvraag dateert van 24 november 2025, de minister op 5 januari 2026 op die aanvraag heeft beslist en de termijn om te beslissen op het bezwaar nog maar net loopt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook niet gebleken dat van verzoekster niet kan worden verlangd dat zij de beslissing op bezwaar in Peru afwacht.

Conclusie en gevolgen

9. Nu het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment ontbreekt, zal het verzoek, als kennelijk ongegrond, worden afgewezen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter niet toekomt aan een beoordeling van de redelijke kans van slagen van het bezwaar of aan een belangenafweging.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op 8 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
De griffier is verhinderd om deze uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.