ECLI:NL:RBDHA:2026:310
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening voor verblijf als gezinslid in Nederland
Op 8 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak AWB 26/241, waarin verzoekster, een vrouw met de nationaliteit [nationaliteit], verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek was gericht op het verkrijgen van toestemming om naar Nederland te komen in afwachting van de beslissing op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning als gezinslid bij haar echtgenoot, [naam 2]. De aanvraag voor de mvv was op 24 november 2025 ingediend, maar werd op 5 januari 2026 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen, omdat niet aan het middelenvereiste werd voldaan. Verzoekster stelde dat zij en haar echtgenoot al acht maanden gescheiden waren en dat zij voldeed aan de voorwaarden voor de mvv.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat er geen sprake was van een zwaarwegend spoedeisend belang. De rechter oordeelde dat de omstandigheden die verzoekster naar voren had gebracht, niet voldoende waren om aan te nemen dat de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag zo onevenredig waren dat het niet mogelijk was om de beslissing op het bezwaar af te wachten. De voorzieningenrechter benadrukte dat de aanvraag recent was afgewezen en dat de termijn voor het nemen van een beslissing op het bezwaar nog liep. Hierdoor was er geen noodzaak voor een onmiddellijke voorziening. De uitspraak is openbaar gemaakt op 8 januari 2026 en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.