ECLI:NL:RBDHA:2026:310
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening verblijf als gezinslid in afwachting bezwaar
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als gezinslid bij haar echtgenoot in Nederland. De minister heeft deze aanvraag afgewezen vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste en een negatieve belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening om haar te behandelen alsof zij in het bezit is van een mvv, zodat zij naar Nederland kan reizen. Zij stelt dat zij en haar echtgenoot al acht maanden gedwongen gescheiden leven en dat zij wel aan het middelenvereiste voldoet.
De voorzieningenrechter overweegt dat de gevraagde voorziening verstrekkend is en nagenoeg onomkeerbare gevolgen heeft. Toewijzing is daarom alleen mogelijk bij zeer uitzonderlijke omstandigheden, zoals een zwaarwegend spoedeisend belang en twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit.
De voorzieningenrechter oordeelt dat een zwaarwegend spoedeisend belang ontbreekt. De situatie van verzoekster en haar echtgenoot, hoewel betreurenswaardig, rechtvaardigt niet het toestaan van verblijf in Nederland tijdens de bezwaarprocedure. De termijn voor de bezwaarbeslissing is nog kort en het is redelijk dat verzoekster deze afwacht in Peru.
Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang.