ECLI:NL:RBDHA:2026:3128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
NL25.46221
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 3:2 AwbArt. 8:29 AwbArt. 4 Richtlijn 2011/95artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag wegens ontbreken relevante nieuwe elementen

Eiser, van Guinese nationaliteit, diende een opvolgende aanvraag om asiel in nadat zijn eerdere aanvraag onherroepelijk was afgewezen. De minister verklaarde deze nieuwe aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser geen relevante nieuwe elementen had aangevoerd. Hoewel eiser nieuwe documenten overlegde, concludeerde een deskundige dat deze mogelijk niet bevoegd waren opgemaakt en afgegeven.

Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid omdat hij niet tijdig kon reageren op de verklaring van onderzoek. De rechtbank oordeelde dat dit niet tot schending van belangen leidde, aangezien de minister de conclusies in het voornemen had vermeld. Verder stelde eiser dat de minister zijn vergewisplicht niet had nageleefd, maar de rechtbank vond dat de minister terecht op de deskundige verklaring mocht vertrouwen en dat eiser onvoldoende gemotiveerd had betwist.

De rechtbank vond dat de minister aan de samenwerkingsverplichting had voldaan en dat de brief van eisers oom weliswaar enige waarde had, maar onvoldoende was om de documenten te rechtvaardigen. Ook het verwijt dat de minister het late overleggen van documenten ten onrechte meewoog, werd verworpen. Ten slotte oordeelde de rechtbank dat het terugkeerbesluit uit 2021 rechtsgeldig is en dat er geen actuele aanwijzingen zijn voor een risico op refoulement.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de opvolgende asielaanvraag. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de opvolgende asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46221

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [datum] 1996,
van Guinese nationaliteit,
V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van
18 september 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. C.T.W. van Dijk als waarnemer van eisers gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft eerder op 2 januari 2019 asiel gevraagd in Nederland. Op 29 juli 2021 is deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser is op 24 augustus 2021 in beroep gegaan tegen deze afwijzing. De rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard op 2 februari 2022. [2] Eiser heeft daarna op 11 februari 2022 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling [3] . Dit beroep is op 17 februari 2022 ongegrond verklaard. Hiermee is de afwijzing van de eerdere asielaanvraag onherroepelijk geworden.
3.1.
De minister overweegt dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van een opvolgende aanvraag. Hoewel eiser wel nieuwe elementen in de vorm van documenten heeft aangevoerd, zijn deze elementen volgens de minister niet relevant. De minister verwijst in dit verband naar de verklaring van onderzoek van BD [4] van 3 oktober 2024 waarin BD tot de conclusie komt dat de documenten zeer wel mogelijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Ook maken de verklaringen van eiser over die documenten, de overgelegde documenten niet relevant, aldus de minister.
Heeft de minister het besluit voldoende zorgvuldig voorbereid?
4. Eiser voert in de eerste plaats aan dat bij zienswijze kenbaar is gemaakt dat de verklaring van onderzoek, waarop de minister zijn conclusies baseert, niet bij het voornemen was gevoegd. Hij kon daarom niet op de verklaring van onderzoek reageren en kan dit thans, in beroep, pas voor de eerste keer wel doen. Dat getuigt van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit, omdat eiser daarmee de mogelijkheid is ontnomen om zich eerder onderbouwd tegen de resultaten uit te kunnen spreken. Eiser meent dat dit al voldoende reden is om het bestreden besluit te vernietigen.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat, hoewel de verklaring van onderzoek van BD pas na de zienswijze aan het dossier is toegevoegd, dit niet maakt dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Eiser is hierdoor namelijk niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank neemt in dit verband in aanmerking dat de minister de conclusies van BD wel heeft vermeld in het voornemen. Eiser kon hierop dus reageren. [5] De enkele stelling ter zitting dat een andere beslismedewerker mogelijk een andere visie zou kunnen hebben, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Vergewisplicht
5. Eiser stelt dat onduidelijk is op welke grondslag de conclusies van het onderzoek van BD zijn gestoeld. Het is bijvoorbeeld relevant om te weten hoeveel vergelijkingsmateriaal er is, of het vergelijkingsmateriaal op sommige punten wel overeen komt met de door eiser overgelegde stukken en of er mogelijk sprake is geweest van wijzigingen van de opmaak en afgifte van de overgelegde documenten. Dat deze vragen door de minister niet zijn beantwoord, is onzorgvuldig. In dit kader verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 8 november 2024. [6] In deze uitspraak is overwogen dat de minister een vergewisplicht heeft. In het geval van eiser heeft de minister niet voldaan aan zijn vergewisplicht. Verder stelt eiser dat de minister eveneens niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan omdat in de verklaring van onderzoek een advies wordt uitgebracht aan de minister, waaraan hij niet (kenbaar) gehoor heeft gegeven. De minister dient, volgens BD, verder onderzoek te doen om een waardeoordeel te kunnen geven. Nu dat niet is gebeurd, is ook op dit punt sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Met betrekking tot de verklaring van onderzoek wordt er tot slot door eiser op gewezen dat opmerkingen ten aanzien van het opsporingsbevel en het arrestatiebevel – dat het bevreemd is dat betrokkene hiervan in bezit is – zonder nadere motivering ook niet begrijpelijk zijn.
5.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [7] volgt dat BD een deskundige is en dat de minister er in beginsel van mag uitgaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [8] Dat laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van Pro de Awb [9] met zich meebrengt dat hij moet nagaan hoe BD tot zijn conclusies is gekomen. Die situatie doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als gemotiveerd betwist is dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
5.2.
Uit eveneens vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat de minister de van BD vertrouwelijk verkregen informatie niet hoeft te delen, maar dat hij wel gemotiveerd moet berichten of, en zo ja in hoeverre, hij de conclusies van BD onderschrijft nadat hij stukken heeft ingediend of nadat hij nadere informatie bij BD heeft ingewonnen. In de procedure bij de rechter kan de minister eventueel een beroep doen op artikel 8:29 van Pro de Awb. De minister kan niet volstaan met een verwijzing naar de conclusies van de verklaring van onderzoek. Evenmin kan hij volstaan met het ter controle aanbieden van onderliggende stukken aan de rechtbank. De vergewisplicht rust immers op de minister en niet op de rechter. [10]
5.3.
De rechtbank overweegt dat de bevindingen van BD over de ingebrachte oproep, opsporingsbevel en het arrestatiebevel duidelijk zijn en dat de conclusies daarop aansluiten. BD heeft immers voor alle drie de documenten geconcludeerd dat zij zeer wel mogelijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven, omdat de opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij de conclusies van BD niet deelt en waarom de verklaring naar de wijze van totstandkoming onzorgvuldig en naar inhoud niet inzichtelijk en concludent zijn. Eiser heeft onder verwijzing naar de genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in de gronden van beroep gewezen op een aantal vragen die naar zijn idee relevant kunnen zijn bij het door BD gehanteerde vergelijkingsmateriaal, waaruit volgens eiser volgt dat het van belang is dat de conclusies van BD worden gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze vragen niet worden aangemerkt als een gemotiveerde betwisting van de verklaring van onderzoek. De beroepsgrond slaagt niet.
Samenwerkingsverplichting
6. Eiser stelt verder dat hij wat hij in de zienswijze heeft opgemerkt over de samenwerkingsverplichting handhaaft. Hij benadrukt daarnaast dat de overweging van de minister bovenaan pagina 5 van het bestreden besluit niet kan standhouden. Zonder zorgvuldig onderzoek kan de minister zich vanzelfsprekend niet op het standpunt stellen dat de overgelegde documenten op voorhand al geen ander licht werpen op de beoordeling van de asielaanvraag.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister aan de samenwerkingsverplichting heeft voldaan. Gelet op het oordeel van de rechtbank over de totstandkoming van het deskundigenadvies heeft de minister wel degelijk kunnen concluderen dat – nu de documenten zeer wel mogelijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven – deze op voorhand geen ander licht werpen op de voorgaande beoordeling. De minister heeft gelet op dit advies terecht aanleiding gezien om eiser tijdens het gehoor nadrukkelijk in de gelegenheid te stellen om te verklaren over de overgelegde documenten. Eiser heeft tijdens het gehoor niet aannemelijk kunnen maken dat de documenten toch bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Dat de minister - onder verwijzing naar de verklaring van onderzoek van
BD - concludeert dat de documenten niet authentiek zijn en niet bevoegd zijn afgegeven en dat deze daarom niet relevant zijn, maakt niet dat niet wordt voldaan aan de verplichting van artikel 4 van Pro Richtlijn 2011/95.
Brief oom
7. Met betrekking tot het vierde document dat door eiser is overgelegd, de brief van zijn oom, wordt opgemerkt dat daaraan door de minister ten onrechte te weinig waarde is gehecht. De minister stelt terecht dat het document geen objectiveerbare bron betreft, maar stelt onterecht dat het document niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van de asielmotieven omdat het rechtstreeks door de oom van eiser is opgesteld. Aan verklaringen van derden kan immers weldegelijk waarde toekomen. Sterker, de oom verklaarde in zijn brief dat de documenten aan hem persoonlijk zijn overhandigd. Hij verklaarde dus over een omstandigheid die hij zelf heeft ervaren.
7.1.
De rechtbank overweegt dat de minister in het besluit erkent dat de brief wel degelijk enige waarde toekomt en dat deze is betrokken bij de beoordeling. Ook heeft de minister overwogen dat de brief door eisers oom zelf is opgesteld en dit per definitie maakt dat de inhoud niet objectief verifieerbaar is en daardoor slechts beperkte waarde kan hebben. Het gewicht dat aan verklaringen van derden wordt toegekend, is altijd afhankelijk van de omstandigheden van de individuele zaak. In dit geval is de verklaring onvoldoende om van doorslaggevende betekenis te zijn, nu is vastgesteld dat de documenten waar eisers oom naar verwijst zeer wel mogelijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven zijn. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom dit standpunt van de minister onjuist is of welke waarde er dan wel aan de brief had moeten worden toegekend. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de brief anders had moeten waarderen.
Het arrest XY
8. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de minister het ten onrechte relevant vindt dat hij de overgelegde documenten niet eerder heeft overgelegd. Hij verwijst naar het XY-arrest van het EU Hof d.d. 9 september 2025, waaruit kortgezegd volgt dat een volgend asielverzoek kan worden gebaseerd op nieuwe omstandigheden die reeds bestonden ten tijde van de beëindiging van de procedure in het kader van het vorige asielverzoek, maar destijds niet zijn aangevoerd.
8.1.
De rechtbank overweegt dat de minister in het besluit opmerkt dat niet wordt beargumenteerd dat enkel het niet eerder overleggen van de documenten leidt tot niet-ontvankelijkheid van de aanvraag. Uit de WI [11] 2023/7 volgt dat de omstandigheid dat een nieuw element of bevinding eerder had kunnen worden aangevoerd wel kan worden betrokken bij de vraag of het aangevoerde relevant kan zijn voor de beoordeling, bijvoorbeeld als de nieuwe elementen en bevindingen vooral bestaan uit verklaringen die niet met bewijs worden gestaafd. Het late moment waarop de elementen en bevindingen naar voren worden gebracht, doet in zo’n geval afbreuk aan de bewijskracht van het gestelde. In het voornemen heeft de minister enkel in het kader van deze relevantie overwogen dat eiser in de vorige procedure niets verteld heeft over enige documenten die aan hem zouden zijn afgegeven. Het is niet zo dat het pas indienen van documenten in de opvolgende aanvraag terwijl dit ook eerder had gekund, geen invloed mag hebben op de inhoudelijke toets in het kader van bewijswaarde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser niet eerder over de stukken heeft gerept. Dat eiser er naar eigen zeggen pas na afronding van de vorige procedure achter kwam dat hij documenten diende overleggen, terwijl hij toen al wel afwist van het bestaan van het arrestatiebevel, acht de rechtbank onvoldoende reden om tot een ander oordeel te komen.
Terugkeerbesluit
9. Eiser stelt ten slotte, onder verwijzing naar het arrest Ararat [12] , dat het bestreden besluit ten onrechte geen actuele beoordeling van het artikel 3 EVRM Pro [13] -risico bevat.
9.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het terugkeerbesluit in 2021 aan eiser is opgelegd en in rechte vaststaat. Eiser heeft bij de minister geen verzoek om opheffing gedaan.
9.2.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat de minister op grond van het arrest Ararat in alle fasen van de procedure een actuele beoordeling moet maken van het refoulementrisico. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of uit het dossier dan wel het door eiser aangevoerde aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement en de minister om die reden gehouden was om af te zien van handhaven van het terugkeerbesluit. In de opvolgende asielaanvraag en de gronden van beroep zijn daarvoor geen aanknopingspunten te vinden. Dat brengt mee dat de rechtbank van oordeel is dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement en om die reden in het bestreden besluit naar het in 2021 opgelegde terugkeerbesluit kon verwijzen.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL21.13609.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Bureau Documenten.
5.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2585.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:636.
9.Algemene wet bestuursrecht.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:628.
11.Werkinstructie.
12.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892.
13.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.