ECLI:NL:RBDHA:2026:333

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63452
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en recht op consulaire bijstand in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van eiser, die op 1 augustus 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. Eiser heeft betoogd dat de maatregel onterecht is, omdat de laissez-passer (lp) zou zijn afgegeven op basis van onjuiste persoonsgegevens en dat hij niet in contact kan komen met de Algerijnse autoriteiten, wat een schending van zijn recht op consulaire bijstand zou zijn. De rechtbank heeft de argumenten van eiser niet gevolgd en geoordeeld dat de lp correct was afgegeven op basis van de door eiser opgegeven personalia en dat er geen bewijs was van onjuiste gegevens. De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser in eerdere gesprekken had aangegeven niet gepresenteerd te willen worden, maar later zijn standpunt had gewijzigd. De rechtbank concludeert dat de minister niet in gebreke is gebleven en dat de maatregel van bewaring rechtmatig is. Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63452

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P. Zijlstra).

Inleiding

1. De minister heeft op 1 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op de zitting op gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 28 november 2025. [2] In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 21 november 2025 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser voert aan dat hij in contact wil komen met de Algerijnse autoriteiten, maar de minister weigert dit te faciliteren. Dat eiser aanvankelijk zou hebben aangegeven niet gepresenteerd te willen worden, is onjuist. Uit de vertrekgesprekken van 25 september 2025 en 1 oktober 2025 blijkt dat eiser mee wilde werken aan de geplande presentatie van 11 september 2025 en het jammer vond dat deze werd geannuleerd. Door een presentatie of gesprek met de Algerijnse consul niet te faciliteren, schendt de minister het recht van eiser op consulaire bijstand zoals is bepaald in artikel 36 van het Verdrag van Wenen betreffende consulaire betrekkingen.
3.1.
Eiser stelt daarnaast dat er geen zicht is op een rechtmatige uitzetting omdat de op 22 november 2025 verstrekte lp [3] is gebaseerd op een alias en dus niet de juiste persoonsgegevens vermeldt. Eiser verwacht hierdoor bij aankomt in Algerije in de problemen te komen en wil ook om deze reden voordat hij vertrekt spreken met de Algerijnse consul.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. Zoals door de minister op de zitting terecht is opgemerkt, is de lp aangevraagd op basis van de door eiser opgegeven personalia. De lp is daarnaast niet alleen verstrekt op basis van de door eiser opgegeven personalia, maar ook op basis van onderzoek in het registratiesysteem van de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft met hetgeen is aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onjuiste persoonsgegevens. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat er geen sprake is van een rechtmatige uitzetting. Dat eiser wordt geschonden in zijn recht op consulaire bijstand volgt de rechtbank eveneens niet. Eiser heeft in het vertrekgesprek van 27 november 2025, nadat hem was medegedeeld dat zijn nationaliteit was bevestigd en er een vlucht zou worden aangevraagd, uitdrukkelijk aangegeven niet gepresenteerd te willen worden. Uit het vertrekgesprek van 1 december 2025, om 10:45 uur, blijkt dat eiser zich heeft bedacht en hij toch gepresenteerd wil worden. Dit was nadat hem was medegedeeld dat er vlucht was geboekt met vertrek op 15 december 2025. De rechtbank volgt de minister in de stelling dat hij in deze kwestie afhankelijk is van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten en dat deze hebben aangegeven dat een presentatie niet meer mogelijk is wanneer daar eenmaal vanaf is gezien. Uit het vertrekgesprek van 1 december, om 15:40 uur, blijkt verder dat eiser is meegedeeld dat het hem vrij staat om zelf telefonisch contact te zoeken met de consul. Van een schending van het recht op consulaire bijstand is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
5. De minister heeft sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige periode vijf vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De nationaliteit van eiser is op 22 november 2025 door de Algerijnse autoriteiten bevestigd en op 11 december 2025 is een lp afgegeven. Op 15 december 2025 was een onbegeleide vlucht voor eiser geboekt, maar deze is geannuleerd nadat eiser weigerde vrijwillig te vertrekken. Op dezelfde dag is een nieuwe vlucht, met escorts, aangevraagd. Deze is op 17 december 2025 akkoord bevonden en zal op 12 januari 2026 vertrekken. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.
6. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [4]
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL25.54839.
3.Laissez-passer.
4.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).