In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring van eiser, die op 2 november 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld en vastgesteld dat er zicht op uitzetting naar Algerije is, ondanks de langere looptijd van de lopende aanvraag voor een laissez-passer (lp). Eiser heeft aangevoerd dat er geen zicht op uitzetting is, omdat de lp-aanvraag sinds maart 2024 zonder resultaat is gebleven. De rechtbank oordeelt echter dat de termijn nog niet zodanig lang is dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Bovendien heeft de minister recentelijk actie ondernomen door een vertrekgesprek met eiser te voeren en schriftelijk te rappelleren op de lp-aanvraag. De rechtbank concludeert dat de minister geen aanleiding had om een lichter middel dan bewaring op te leggen, gezien de omstandigheden. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, evenals het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.