ECLI:NL:RBDHA:2026:3420
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De minister heeft op 1 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het eerdere onderzoek van 19 januari 2026 betrokken en beoordeelt wat er sindsdien is gebeurd. Eiser stelt dat het zicht op uitzetting ontbreekt omdat zijn laissez-passer (lp) al sinds maart 2025 is aangevraagd maar nog niet is afgegeven, mede doordat hij niet over identiteitsdocumenten beschikt. Ook voert hij aan dat de bewaring hem zwaar valt vanwege medische klachten, waaronder een bult in zijn nek en pijnklachten, en dat hij zich aan een meldplicht wil houden.
De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt. De lp-aanvraag heeft een langere looptijd, maar er is geen aanwijzing dat de Algerijnse autoriteiten geen lp zullen verstrekken. Eiser verleent bovendien geen medewerking. De medische zorg in het detentiecentrum is toereikend en er is geen sprake van detentieongeschiktheid. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting, onder meer door pogingen tot vertrekgesprekken en schriftelijke rappellering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.