ECLI:NL:RBDHA:2026:3420

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7344
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

De minister heeft op 1 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het eerdere onderzoek van 19 januari 2026 betrokken en beoordeelt wat er sindsdien is gebeurd. Eiser stelt dat het zicht op uitzetting ontbreekt omdat zijn laissez-passer (lp) al sinds maart 2025 is aangevraagd maar nog niet is afgegeven, mede doordat hij niet over identiteitsdocumenten beschikt. Ook voert hij aan dat de bewaring hem zwaar valt vanwege medische klachten, waaronder een bult in zijn nek en pijnklachten, en dat hij zich aan een meldplicht wil houden.

De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt. De lp-aanvraag heeft een langere looptijd, maar er is geen aanwijzing dat de Algerijnse autoriteiten geen lp zullen verstrekken. Eiser verleent bovendien geen medewerking. De medische zorg in het detentiecentrum is toereikend en er is geen sprake van detentieongeschiktheid. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting, onder meer door pogingen tot vertrekgesprekken en schriftelijke rappellering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7344

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. De minister heeft op 1 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 17 februari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 19 januari 2026. [3] In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 16 januari 2026 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De lp [4] is al in maart 2025 aangevraagd en tot op heden is er geen lp afgegeven. Eiser beschikt niet over identiteitsdocumenten en het is daarom niet aannemelijk dat er nog een lp zal worden afgegeven. Dat eiser niet is verschenen op de geplande presentatie op 4 februari 2026 kan hem niet worden verweten, hij kon vanwege ziekte niet aanwezig zijn.
3.1.
De bewaring valt eiser bovendien erg zwaar. Eiser heeft weliswaar toegang tot medische zorg, maar heeft desondanks veel pijnklachten. Hij heeft een bult in zijn nek waar hij mogelijk voor geopereerd moet worden. Eiser verwijst daarbij naar zijn medisch dossier. Daar komt bij dat eiser de laatste tijd niet zorgvuldig is onderzocht. Deze medische klachten maken de bewaring onevenredig zwaar voor eiser. Eiser geeft bovendien aan zich aan een meldplicht te willen houden, waardoor het opleggen van een lichter middel in de rede ligt.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn naar Algerije in algemeen niet ontbreekt. [5] In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een ander oordeel. Hoewel de lp-aanvraag een langere looptijd heeft, is deze termijn nog niet zodanig lang dat op grond daarvan het zicht op uitzetting ontbreekt. Niet is gebleken dat Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Daar komt bij dat eiser geen medewerking verleent. Het zicht op uitzetting is ook daarom in beginsel gegeven.
4.1.
De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding voor het oordeel dat een lichter middel opgelegd moet worden. Uit het medisch van eiser blijkt dat hij medische zorg ontvangt in het detentiecentrum en er is niet gebleken dat deze zorg niet volstaat. De rechtbank is niet gebleken dat de bewaring voor eiser onevenredig zwaar is of er sprake is van detentieongeschiktheid. Dat de bewaring eiser zwaar valt, maakt dit niet anders.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Zo heeft de minister op 3 februari 2026 geprobeerd een vertrekgesprek met eiser te voeren. Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat eiser niet is verschenen, omdat hij geen zin had in het gesprek. Daarnaast is schriftelijk gerappelleerd aan de lp-aanvraag op 20 en 29 januari 2026. Dat eiser vanwege ziekte niet kon verschijnen op de geplande presentatie op 4 februari 2026 blijkt niet uit de voortgangsrapportage, waar wordt aangegeven dat eiser niet is komen opdagen.
4.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. [6]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
3.Zaaknummer NL26.136.
4.Laissez-passer.
5.Zie uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024 en 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842).
6.Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).