Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3477

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 februari 2026
Zaaknummer
C/09/674939 / FA RK 24-7786
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 lid 1 sub b BWArt. 11 lid 1 huwelijksvoorwaardenArt. 11 lid 3 huwelijksvoorwaardenArt. 11 lid 4 huwelijksvoorwaardenArt. 11 lid 5 huwelijksvoorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met partneralimentatie en afwikkeling huwelijkse voorwaarden afgewezen beroep op dwaling

Partijen zijn gehuwd in 2016 en hebben gezamenlijk een verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank wijst de echtscheiding toe en bepaalt dat de man vanaf inschrijving van de beschikking €706 bruto per maand aan partneralimentatie aan de vrouw moet betalen.

De vrouw voerde verweer tegen de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, stellende dat zij bij het opmaken van de voorwaarden had gedwaald en dat toepassing van artikel 11 onredelijk Pro en onbillijk zou zijn. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van dwaling, mede omdat partijen zorgvuldig zijn voorgelicht en de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij haar woning zou moeten verkopen.

De rechtbank wijst het beroep op redelijkheid en billijkheid af en bevestigt dat de eindwaarde van het appartement wordt vastgesteld op de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek. De verdeling van het gezamenlijke banksaldo en de inboedel wordt vastgesteld, waarbij geschilpunten over enkele inboedelstukken worden toegedeeld aan de vrouw. De man wordt veroordeeld tot afgifte van digitale bestanden aan de vrouw.

De rechtbank stelt tussentijds appel open tegen de beslissingen over artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden en houdt verdere afwikkeling daarvan aan tot 1 mei 2026. Het overige meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie vastgesteld op €706 per maand, beroep op dwaling en redelijkheid bij huwelijkse voorwaarden afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7786 (echtscheiding) en FA RK 25-2525 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/674939 (echtscheiding) en C/09/683019 (verdeling)
Datum beschikking: 22 januari 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 29 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. van Gaalen te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.P.L.M. Buijsrogge te Anrhem.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 11 november 2024 van de zijde van de man;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek tevens wijziging verzoek;
- het verweer tegen het gewijzigd verzoek;
- het F9-formulier van 11 december 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 12 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
Op 23 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
- het bericht van 12 januari 2026 van de vrouw;
- het F9-bericht van 12 januari 2026 van de man, met bijlage.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2016 te [plaats 1] .

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
primairop gezamenlijke kosten van partijen ieder bij helfte een taxateur te benoemen die voldoet aan de kwalificaties zoals genoemd in artikel 11 lid 4 van Pro de huwelijksvoorwaarden met als opdracht de eindwaarde van de in artikel 11 lid 1 aangeduide Pro onroerende zaken vast te stellen op het eindmoment, te weten de datum van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding conform het bepaalde in artikel 11 lid 4 van Pro de huwelijksvoorwaarden;
subsidiair: te bepalen dat de vrouw gehouden zal zijn c.q. de vrouw te veroordelen om:
a. een taxateur, die voldoet aan de kwalificaties zoals genoemd in artikel 11 lid 4 huwelijksvoorwaarden Pro, binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking opdracht te geven om de waarde van het appartement [adres] , [postcode] te [plaats 2] , zoals omschreven in artikel 11 lid 1 van Pro de huwelijksvoorwaarden, te bepalen op 29 oktober 2024, zulks binnen dertig dagen na opdrachtverlening;
b. het verslag van de waardebepaling c.q. het taxatierapport aan de man te verstrekken binnen zeven dagen na datering daarvan;
c. medewerking te verlenen binnen veertien dagen aan alle aan de vrouw schriftelijk kenbaar te maken handelingen die door de man aan te wijzen taxateur noodzakelijk acht om de waarde van voornoemd appartement in opdracht van de man te kunnen bepalen, waaronder in ieder geval de medewerking aan een bezichtiging door de makelaar van het appartement;
d. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag dat de vrouw niet voldoet aan de veroordeling;
primairde waardevergoeding die de vrouw aan de man verschuldigd is op basis van de te verrichten taxatie en de rekenmethode in de huwelijksvoorwaarden vast te stellen en de vrouw te veroordelen om dit bedrag te voldoen binnen veertien dagen na afgifte van de beschikking;
subsidiairte bepalen dat de vrouw gehouden zal zijn c.q. de vrouw te veroordelen om aan de man conform artikel 11 lid 5 huwelijksvoorwaarden Pro te voldoen een geldbedrag gelijk aan de helft van de waardevermeerdering, zijnde de gemiddelde waarde van de door de taxateurs te bepalen taxatiewaarden verminderd met de hypotheekschuld van € 147.457,33 (de eindwaarde) en verminderd met € 82.500,- (de uitgangswaarde), voor zover dit bedrag hoger zal zijn dan € 0,-, zulks binnen veertien dagen na datering van het meest recente verslag van de waardebepaling c.q. het taxatierapport (d.w.z. van de rapportage die als laatste is vastgesteld);
het gezamenlijk banksaldo bij Regiobank te verdelen en te bepalen dat aan ieder van partijen daarvan na aftrek van eventuele bankkosten de helft toekomt, zulks uit te voeren door de man en de man de bevoegdheid te geven de bankrekening op te heffen;
de roerende zaken zodanig te verdelen dat aan de man wordt toebedeeld de roerende zaken:
o salontafel 60x120 Garda;
o eettafel 200x120 ovaal Colombo;
o bijzettafel ovaal, behorende bij de eettafel;
o boekenkast 70 cm Garda;
o boekenplank 130 cm Garda;
o TV Samsung QLED 4K 43Q64A;
o Soundbar Samsung HW-S60A,
o en voorts alle zaken die in zijn bezit zijn,
en dat aan de vrouw wordt toebedeeld de keramieken pot en voorts alle zaken die reeds in haar bezit zijn, zonder nadere verrekening;
de vrouw te veroordelen om de roerende zaken van de man zoals hiervoor beschreven af te geven aan de man alsmede twee nachtkastjes, het waterbed met toebehoren en het stapelbed met twee matrassen, zulks binnen veertien dagen na afgifte van de beschikking,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte voor het verzoek ten aanzien van het banksaldo – op dit moment nog verweer tegen het overige, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- met ingang van datum van haar verweerschrift met zelfstandige verzoeken vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 924,- bruto per maand, met ingang van de te wijzen beschikking bij vooruitbetaling te voldoen;
- de inboedel te verdelen zoals door de vrouw verzocht in randnummer 34 en 35 van haar verweerschrift met zelfstandige verzoeken;
- de man te veroordelen binnen twee weken na afgifte van de ten deze te wijzen beschikking aan de vrouw dient af te geven een kopie van de digitale bestanden die partijen gezamenlijk in eigendom toebehoren, die staan op de pc van de man, bestaande uit foto’s, gescande aankoopbonnen, handleidingen en correspondentie, alsmede tot afgifte van alle huissleutels die toegang geven tot het appartement van de vrouw;
- te verklaren voor recht dat de man geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden;
- indien de rechtbank zou oordelen dat de man een beroep op artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden toekomt, partijen te veroordelen binnen twee maanden na afgifte van de ten deze te wijzen beschikking conform artikel 11 lid 4 van Pro de huwelijkse voorwaarden een makelaar aan te wijzen die de onroerende zaken taxeert per 27 oktober 2022 dan wel 27 oktober 2024 en te bepalen dat de gemiddelde waarde van beide taxaties gehanteerd wordt bij de bepaling van de eindwaarde waarbij de uitgangswaarde gecorrigeerd wordt zoals aangegeven in randnummer 23,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen.
Partneralimentatie
Bij de vaststelling van de partneralimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Huwelijkse behoefte
Voor de huwelijkse behoefte van partijen gaan zij in hun overgelegde berekeningen beiden van hetzelfde netto besteedbaar inkomen (NBI) uit voor beide partijen in 2023-2. Zij gaan voor de man uit van een NBI van € 4.368,- per maand en voor de vrouw van € 4.450,- per maand. De man stelt dat van dit totale netto gezinsinkomen per maand (NBGI) nog een bedrag van € 751,23 netto per maand afgehaald moet worden aan bijdrage aan kinderalimentatie dat de man voor zijn kinderen betaalde. De vrouw betwist dit en stelt dat de kinderen inmiddels ouder zijn dan de alimentatiegerechtigde leeftijd voor minderjarigen en jongmeerderjarigen. Hier moet voor de huwelijkse behoefte volgens haar geen rekening mee worden gehouden.
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. Tussen partijen is in geschil of de kosten van de kinderen van de man in mindering op moeten worden gebracht. De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 8.818,- per maand. De rechtbank zal rekening houden met een bedrag aan kosten kinderen van de man, omdat dit feitelijk in mindering kwam op het gezamenlijk besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk van partijen, ongeacht of dit minderjarige kinderen betrof of hiervoor op dat moment een wettelijke verplichting bestond. Partijen leefden hierdoor van een lager inkomen. De man heeft onderbouwd dat hij maandelijks afgerond € 751,- aan kinderalimentatie betaalde, bestaande uit een bijdrage voor collegegeld en een overige bijdrage. Een bedrag van € 8.067,- was dus beschikbaar voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 4.840,- netto per maand (60% van € 8.067,- per maand) in 2023. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt dit € 5.726,- per maand.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Tussen partijen is in geschil met welk bedrag hiervoor rekening gehouden moet worden. De vrouw is bij haar werkgever sinds 1 maart 2024 een generatiepact aangegaan waardoor zij minder inkomen genereert dan eerst. De man stelt dat dit voor herstel vatbaar is, dan wel dat deze inkomensvermindering voor rekening van de vrouw dient te komen. De man rekent met een inkomen van de vrouw van € 83.470,-, op basis van haar voorgaande fulltime dienstverband.
De vrouw stelt dat gerekend moet worden met haar huidige inkomen, waarvan zij recente loonstroken heeft overgelegd. Hieruit volgt een bruto maandinkomen uit van € 6.308,- minus € 2.074,- aan het generatiepact. De man heeft volgens haar ingestemd met het aangaan van deze regeling bij haar werkgever en dit kan niet haar niet worden aangerekend. Daarnaast kan gelet op haar leeftijd niet een verdiencapaciteit aangenomen worden waarbij zij naast haar huidige werk nog ander werk kan verrichten. Dit druist ook in tegen de bedoeling van het gerenatiepact.
De rechtbank berekent het inkomen van de vrouw op basis van haar huidige inkomen van
€ 6.308,- bruto per maand, rekening houdend met het generatiepact van € 2.074,- per maand. Het bruto-inkomen van de vrouw bedraagt daarmee € 4.234,- per maand. De rechtbank houdt hier rekening mee omdat dit de huidige stand van zaken vertegenwoordigt en de rechtbank het niet redelijk acht om van een hoger fictief inkomen uit te gaan. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het standpunt van de man dat dit inkomensverlies van de vrouw voor herstel vatbaar is, dan wel voor haar rekening dient te komen. De vrouw heeft aangevoerd dat haar werk een intensieve functie betreft ([functie] ), welke zij vanwege haar leeftijd niet meer op fulltime basis kan volhouden, hetgeen de rechtbank gelet op de functie van de vrouw aannemelijk acht.
De rechtbank houdt verder rekening met:
  • het bedrag aan piketdienst van afgerond € 411,- bruto per maand;
  • het bedrag aan functioneringstoelage van afgerond € 631,- bruto per maand;
  • het bedrag aan Individueel Keuzebudget (IKB) van 17% van het bruto-inkomen van de vrouw van afgerond € 1.072,- per maand. Dit bedrag vermindert de rechtbank met het bedrag van (afgerond) € 354,- per maand, welk bedrag blijkens de twee recentste loonstroken van de vrouw in mindering op het IKB wordt gebracht;
  • de premie OP/NP van afgerond € 536,- bruto per maand;
  • de premie AP van afgerond € 14,- bruto per maand;
  • de WGA-premie van afgerond € 21,- netto per maand.
Uit de loonstroken van de vrouw volgen verschillende bedragen per maand aan opbouw van het IKB. De rechtbank houdt rekening met 17% van haar brutoloon, omdat dit percentage zo is bepaald in de CAO van gemeenteambtenaren en het opbouwbedrag blijkens de loonstroken telkens ongeveer 17% is.
De rechtbank berekent het NBI van de vrouw in 2026 op € 3.874,- per maand. Dit leidt tot een netto aanvullende behoefte van € 1.852,- netto per maand. Gebruteerd bedraagt dit
€ 3.610,- per maand.
Draagkracht man
Voor de draagkrachtberekening van de man zijn partijen het erover eens dat met het brutoloon van de man van € 6.350,- per maand uitgegaan moet worden (te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8%), alsmede met een bedrag aan jaarlijkse bonus die de man ontvangt. De man heeft op de zitting aangegeven dat dit bedrag per jaar verschilt en onzeker is, maar dat dit vaak tussen de 50% en de 85% van zijn bruto-inkomen bedraagt. De rechtbank overweegt als volgt. In 2024 kreeg de man in januari een bonus van € 4.185,-, te weten afgerond € 349,- per maand. Dit bedraagt afgerond 61% van het brutoloon van € 6.350,- per maand. De rechtbank zal hiervan uitgaan, omdat dit het enige gegeven is waar de rechtbank over beschikt en uit niets blijkt dat dit bedrag niet reëel zou zijn om rekening mee te houden. De rechtbank houdt, gelet op de loonstroken van de man, verder rekening met de premie WIA Excedent van afgerond € 5,- bruto per maand en de pensioenpremie van afgerond € 135,- per maand.
De rechtbank berekent het NBI van de man in 2026 op € 4.669,- per maand. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de expertgroep de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.142,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)]). Gebruteerd komt dit neer op € 1.829,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Dat houdt in dat de rechtbank berekend bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is.
Uit de inkomensvergelijking volgt dat indien de man aan de vrouw een bruto partneralimentatie van € 706,- bruto per maand betaalt, de man en de vrouw een gelijk te besteden vrije ruimte over houden. Aangezien dit bedrag lager ligt dan de draagkracht van de man, zal de rechtbank de inkomensvergelijking volgen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 706,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen. Het door de vrouw meer of anders verzochte zal de rechtbank gelet op het voorgaande afwijzen.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden
Partijen hebben op 22 september 2016 huwelijkse voorwaarden opgemaakt. In artikel
2 van deze huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat zij elke gemeenschap van goederen hebben uitgesloten.
Artikel 3 lid 3 en Pro lid 4 van de huwelijkse voorwaarde bepalen dat:
3. “
“De saldi die gedurende het huwelijk ontstaan op bankrekeningen, die ten name zijn gesteld van beide echtgenote of op zogenaamde en/of rekeningen worden, behoudens tegenbewijs, geacht gemeenschappelijk, ieder voor de helft, toe te behoren aan de echtgenoten en worden geacht door de echtgenoten gelijkelijk bijeen te zijn gebracht.
3. “
Indien tussen de echtgenoten een geschil ontstaat met betrekking tot de vraag aan wie van hen roerende zaken of rechten aan toonder toebehoren, die niet onder de werking van de in dit artikel overeengekomen bewijsovereenkomsten vallen, geldt het volgende. Indien geen van de echtgenoten zijn rechten op die goederen kan bewijzen, waarover het geschil is ontstaan, worden deze geacht aan ieder van de echtgenoten voor de helft toe te behoren.”
In artikel 11 lid 1 van Pro de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de appartementsrechten van de woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats 2] , alsmede de bijbehorende berging en parkeerplaats aan de vrouw toebehoren. Verder luidt dit artikel als volgt:
2.
Overeenkomst

De echtgenoten komen hierbij overeen om de waardevermeerdering van het registergoed die tijdens het huwelijk optreedt bij helfte te zullen delen.

3.
Uitgangswaarde
In verband met de in lid 2 neergelegde overeenkomst stellen de echtgenoten hierbij vast dat:
a.
als beginwaarde van het registergoed een waarde van driehonderdduizend euro (EUR 300.000,00); en
b.
als beginschuld een bedrag van tweehonderdzeventienduizend vijfhonderd euro (EUR 217.500,00),
dienen te worden gehanteerd. De huidige overwaarde bedraagt derhalve tweeëntachtigduizend vijfhonderd euro (EUR 82.500,00), hierna aan te duiden met: “uitgangswaarde”.
4.
Eindwaarde
De “eindwaarde” van het registergoed kan worden berekend door de waarde in het economisch verkeer van het registergoed op het eindmoment te verminderen met het bedrag van de schuld op het eindmoment. Onder eindmoment wordt door de echtgenoten begrepen:
a.
(…)
b.
indien het huwelijk tussen de echtgenoten eindigt door echtscheiding (en voor zover het registergoed niet eerder is overgedragen aan een derde): de dag van indiending van het verzoek tot echtscheiding;
c.
(…)
De echtgenoten komen hierbij overeen dat zij in beginsel de waarde in het economisch verkeer per het eindmoment in onderling overleg zullen vaststellen. Indien zij geen overeenstemming over deze waarde per het eindmoment bereiken komen de echtgenoten nu voor alsdan overeen dat zij ieder een taxateur aanwijzen, welke taxateur:
- bekend dient te zijn met de woningmarkt van de plaats van ligging van het registergoed; en
-
dient te zijn aangesloten bij een brancheorganisatie, zoals de Nederlandse Vereniging van Makelaars en Taxateurs (NVM), VastgoedPRO of VBO makelaars; en
-
ingeschreven dient te zijn als taxateur in een register, zoals dat wordt aangehouden door Stichting Certificering Voor Makelaars en taxateurs (SCVM), Stichting VastgoedCERT of het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs.
Het gemiddelde van de door deze taxateurs vastgestelde waarden zal dan als waarde in het economisch verkeer per het eindmoment dienen te worden gehanteerd.
5.
Waardevermeerdering

De waardevermeerdering kan worden berekend door het bedrag van de eindwaarde van het registergoed te verminderen met het bedrag van de uitgangswaarde. Indien de uitkomst van deze som groter is dan nul euro (EUR 0,--), delen de echtgenoten de uitkomst van deze som bij helfte.”

In artikel 13 van Pro de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat er geen pensioenverevening of verrekening van andere oudedagsvoorzieningen zal plaatsvinden bij einde van het huwelijk door echtscheiding.
De rechtbank zal eerst de verzoeken van partijen aangaande artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden bespreken en daarna de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen.
Ad. a – artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden
De man beroept zich op artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden en stelt dat de vrouw hem conform artikel 11 lid 5 van Pro de huwelijkse voorwaarden de helft van de meerwaarde van de woning moet voldoen. Dit is het verschil tussen de eindwaarde berekend op het moment vanaf datum indiening verzoek echtscheiding en de uitgangswaarde van € 82.500,- als overwaarde.
De vrouw verzoekt een verklaring voor recht dat de man geen beroep kan doen op deze bepaling uit de huwelijkse voorwaarden. Zij stelt in de eerste plaats ten tijde van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden te hebben gedwaald daar wat betreft het appartement. De vrouw heeft aangevoerd de huwelijkse voorwaarden met name te hebben opgemaakt ingeval zij zou komen te overlijden (om de man dan niet onverzorgd achter te laten), maar dat zij heeft niet overzien welke gevolgen de huwelijkse voorwaarden zou hebben ingeval van een echtscheiding. Dat de vrouw heeft gedwaald blijkt volgens haar uit het feit dat uitgangswaarde volgens de huwelijkse voorwaarden niet in waarde wijzigt met het stijgen van de waarde van het onroerend goed en geen rekening is gehouden met de effecten van oververhitting van de woningmarkt (terwijl wel rekening is gehouden met een afkoeling van de woningmarkt), waardoor de huwelijkse voorwaarden zeer nadelig zijn voor haar. Zij is onvoldoende geïnformeerd over de consequenties van de overeengekomen bepaling, namelijk dat zij nu haar woning zou moeten verkopen om de man de helft van het bedrag aan meerwaarde te kunnen voldoen.
Daarnaast is het, gelet op het voorgaande, volgens de vrouw ook op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als de man een beroep kan doen op artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden.
Mocht de man wel een beroep op artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden kunnen doen, moet op grond van de redelijkheid en billijkheid de beginwaarde in ieder geval opnieuw berekend worden op basis van de beleggingsleer, aldus de vrouw. Daarnaast dient volgens de vrouw dan uit te worden gegaan van de economische waarde van het appartement in 2022, nu de vrouw op dat moment haar wens tot echtscheiding heeft geuit aan de man.
Er is volgens de man geen reden om geen uitvoering te geven aan artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden. Partijen of de vrouw hebben niet gedwaald ten tijde van het opmaken van de huwelijkse voorwaarden. Zij hebben onderling en met de notaris zorgvuldig overleg gehad over de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden. De man stelt dat de huwelijkse voorwaarden juist wel bedoeld waren voor alle situaties, ook ingeval van echtscheiding. Zonder deze bepaling zou de man immers geen vermogensopbouw hebben in de woning, in tegenstelling tot als partijen gezamenlijk een nieuwe woning zouden kopen en op die wijze gezamenlijk vermogen zouden opbouwen. De vrouw heeft daarnaast niet aangetoond dat zij als gevolg van de bepaling in de huwelijkse voorwaarden haar huis moet verkopen. Daarom is niet gebleken dat er sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid als artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden wordt gevolgd en wordt uitgevoerd. Mocht de vrouw niet in staat zijn het gehele bedrag in een keer te betalen, is de man bereid om de betaling in nader overeen te komen of vast te stellen termijnen met rente te ontvangen.
De man betwist daarnaast dat de uitgangswaarde opnieuw zou moeten worden berekend op basis van de beleggingsleer. De vrouw heeft niet zoals bepaald in artikel 1:87 BW Pro een belegging of investering gedaan in de woning die heeft bijgedragen aan waardestijging van de woning. Partijen zijn expliciet afgeweken van de beleggingsleer in de huwelijkse voorwaarden. De man stelt daarom dat uitgegaan moet worden van de overeengekomen uitgangswaarde.
De man heeft ten slotte aangegeven dat voor de peildatum van de eindwaarde van het appartement moet worden uitgegaan van wat hierover in de huwelijkse voorwaarden is bepaald, zijnde de datum van de indiening van het echtscheidingsverzoek. Als de vrouw eerder had willen scheiden had zij daartoe stappen kunnen zetten door bijvoorbeeld het verzoek tot echtscheiding in te dienen of in ieder geval in 2022 aan de man kenbaar te maken dat zij wilde scheiden en de waarde van de woning op dat moment wilde betrekken in de afrekening, maar dit heeft zij niet gedaan, aldus de man.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben de huwelijkse voorwaarden bij een notaris laten opmaken. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt dat de notaris partijen daarover heeft voorgelicht, waarna partijen de notaris een gezamenlijke mail hebben gestuurd met diverse opmerkingen daarop, waaronder ook over artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden. De notaris heeft de opmerkingen van partijen verwerkt en uiteindelijk hebben partijen de akte van de huwelijkse voorwaarden ondertekend. De vrouw stelt dat zij heeft gedwaald nu zij niet de gevolgen van artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden kon overzien, in die zin dat afwikkeling daarvan als gevolg zou hebben dat zij haar woning zou moeten verkopen. De vrouw heeft in dit kader aangegeven dat de man haar hierover had moeten informeren en dat zij daarom als gevolg van een schending van de informatieplicht van de man heeft gedwaald in de zin van artikel 6:228 lid 1 sub b BW Pro. De vraag die voorligt aan de rechtbank is of hier sprake van was.
De rechtbank is niet van oordeel dat de man enige informatieverplichting heeft geschonden. Partijen hebben destijds niet over deze situatie gesproken en het zou voor de man daarom niet duidelijk kunnen zijn geweest dat de vrouw niet besefte dat zij mogelijk een dermate hoog bedrag aan de man zou moeten voldoen, dat zij de woning potentieel zou moeten verkopen. Dit beroep van de vrouw slaagt derhalve niet. De rechtbank weegt hierbij ook mee dat partijen beiden al eerder een echtscheiding hebben meegemaakt en dat indien de gevolgen van de bepaling voor de vrouw niet duidelijk waren geweest, het op haar weg had gelegen om hierover nader advies in te winnen alvorens zij deze afspraak in de huwelijkse voorwaarden heeft laten vastleggen.
Ten aanzien van het beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid het volgende. Als deze afspraak inderdaad tot gevolg zou hebben dat de vrouw haar appartement zou moeten verkopen, zou de rechtbank zich kunnen voorstellen dat, mede gelet op de zeer grote stijging van de woningprijzen die heeft plaatsgevonden na het sluiten van de huwelijkse voorwaarden, er bij een onverkorte toepassing van artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden sprake zou kunnen zijn van strijd met de redelijkheid en billijkheid. De man heeft echter reeds in maart 2025 in zijn stukken aangegeven dat de vrouw haar standpunt omtrent het moeten verkopen van het appartement onvoldoende heeft gemotiveerd, waarna de vrouw geen verdere inhoudelijke onderbouwing van haar standpunt heeft gegeven. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel op haar weg gelegen, bijvoorbeeld door een verklaring van een financieel adviseur te overleggen waaruit volgt hoeveel de vrouw aan hypothecaire geldlening kan verkrijgen. Daarom zal dit beroep van de vrouw eveneens niet slagen.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de rechtbank het verzoek van de vrouw om te verklaren voor recht dat de man geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden, zal afwijzen. Het (deel)verzoek van de vrouw dat de eindwaarde wordt gecorrigeerd conform randnummer 23 van haar verweer, zal hierom tevens worden afgewezen.
Het (deel)verzoek van de vrouw voor zover die ziet op een taxatie per 27 oktober 2022, zal de rechtbank eveneens afwijzen. Partijen zijn het erover eens dat de dag van de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding 27 oktober 2024 is, zodat deze datum op grond van artikel 11 lid 3 onder Pro b van de huwelijkse voorwaarden geldt als het eindmoment. Dat de vrouw in 2022 al bij de man zou hebben aangegeven te willen scheiden, maakt niet dat deze bepaling uit de huwelijkse voorwaarden op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden aangepast.
De rechtbank ziet aanleiding om op de voet van artikel 358, vierde lid Rv tussentijds appel open te stellen tegen deze beschikking, mede gelet op de aard van de geschilpunten en de door de rechtbank genomen beslissingen over het beroep van de vrouw op dwaling en de redelijkheid en billijkheid met betrekking tot artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden. Partijen hebben zo de mogelijkheid om – voor zover zij het niet eens zijn met deze eindbeslissingen – eerst een onherroepelijke beslissing te verkrijgen, voordat de procedure wordt voortgezet. De thans genomen beslissingen werken immers indringend door in de verdere beslissingen omtrent de afwikkeling van artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden, waardoor de rechtbank dit, anders dan de man, passend acht. De rechtbank zal daarom de verzoeken ten aanzien van de verdere afwikkeling van artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden pro forma aanhouden tot 1 mei 2026. Partijen dienen dan aan de rechtbank te laten weten of zij appel hebben ingesteld tegen onderhavige beschikking.
Verdeling eenvoudige gemeenschappen
de banksaldi van de gezamenlijke bank- en spaarrekening bij Regiobank onder bankrekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] ;
de gezamenlijke inboedel, bestaande uit inboedel aanwezig in de woning aan de [adres] ( [postcode] ) te [plaats 2] en elders.
Ad. a – het banksaldo van de gezamenlijke bank- en spaarrekening bij Regiobank
De man verzoekt verdeling van het aanwezige saldo op de bank- en spaarrekening van partijen bij Regiobank. Het saldo was op 22 oktober 2024 € 4.293,24. Dit moet bij helfte worden verdeeld, waarna de rekening opgeheven kan worden, aldus de man. De vrouw stemt ermee in dat het saldo per 22 oktober 2024 van € 4.293,24 bij helfte wordt verdeeld en heeft geen verweer tegen het verzoek van de man om de bankrekeningen op te heffen gevoerd. De rechtbank zal dit verzoek daarom als onweersproken toewijzen.
Ad. b – de gezamenlijke inboedel in de woning
Partijen zijn het niet volledig eens geworden over de verdeling van de gezamenlijke inboedel in de woning. Waar zij het wel over eens zijn is dat aan de vrouw zal worden toebedeeld de keramieken pot ‘Mobach’ en alle overige zaken in haar bezit (met uitzondering van de boekenplank 130 cm Garda, de boekenkast 70 cm Garda, de Samsung TV, de Samsung Soundbar, daarover zijn partijen het niet eens). Ook zijn zij het erover eens dat aan de man wordt toebedeeld de salontafel 60x120 Garda, de eettafel 200x120 ovaal Colombo, de bijzettafel ovaal (behorende bij de eettafel), twee nachtkastjes, een waterbed met toebehoren, een stapelbed met matrassen en alle overige zaken in zijn bezit. De rechtbank zal daarom dienovereenkomstig beslissen.
Waar partijen het niet over eens zijn is de verdeling van de boekenkast 70 cm Garda, de boekenplank 130 cm Garda, een Samsung TV en een Samsung Soundbar. De vrouw heeft aangevoerd dat de man eigenhandig spullen uit de woning heeft meegenomen en daarmee de verdeling van de inboedelgoederen al heeft volbracht. Zij vindt dat deze goederen aan haar moeten worden toegedeeld, zonder verrekening met de man, nu de man met de door hem zelf tot stand gebrachte verdeling al ruim meer heeft toebedeeld gekregen dan zijzelf. De man heeft toen al een ruime eerste keuze gedaan uit alle andere elektrische apparatuur die in de woning aanwezig was en qua grote meubels heeft de man al het merendeel (alles behalve het bankstel) toebedeeld gekregen.
De man is het hier niet mee eens en heeft voorgesteld dat hij de boekenkast 70 cm Garda en de boekenplank 130 cm Garda krijgt en de vrouw de TV en de soundbar. Volgens hem heeft hij in juli 2024 (bij zijn vertrek uit de woning) slechts een beperkt deel van de gemeenschappelijke zaken meegenomen en is het merendeel van de gezamenlijke bezittingen in de woning achtergebleven.
De rechtbank zal de vier inboedelgoederen waarvan de verdeling tussen partijen in geschil is aan de vrouw toedelen, zonder verrekening met de man. De man heeft niet betwist dat hij al een eerste keuze in de verdeling heeft gemaakt door bij zijn vertrek uit het appartement – zonder overleg – allerlei goederen mee te nemen. De rechtbank acht het daarom redelijk dat de voormelde goederen aan de vrouw worden toegedeeld.
Met betrekking tot het verzoek van de man tot afgifte van de salontafel 60x120 Garda, de eettafel 200x120 ovaal Colombo, de bijzettafel ovaal (behorende bij de eettafel), twee nachtkastjes, een waterbed met toebehoren en een stapelbed met matrassen door de vrouw, overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft aangegeven dat zij vanzelfsprekend bereid is tot afgifte hiervan, maar de man nog geen aanstalten heeft gemaakt om deze spullen bij de vrouw op te halen. Dit is door de man niet betwist. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de man geen belang heeft bij zijn verzoek en zal de rechtbank dit verzoek afwijzen.
Digitale bestanden
De vrouw verzoekt afgifte van een kopie van de digitale bestanden die partijen gezamenlijk in eigendom toebehoren. Deze bestanden staan op de pc van de man. Het gaat om foto’s, gescande aankoopbonnen, handleidingen en correspondentie. De vrouw verzoekt afgifte hiervan, alsmede afgifte van alle huissleutels die toegang geven tot het appartement van de vrouw.
Op de zitting is het verzoek van de vrouw besproken. De man heeft niet aangegeven de bestanden niet te hebben, maar heeft aangegeven dat de voor zijn gevoel nooit genoeg zal zijn voor de vrouw wat hij zal aanleveren aan bestanden. De rechtbank neemt op basis hiervan aan dat de man de door de vrouw gevraagde bestanden wel in zijn bezit heeft en zal bepalen dat de man dit uiterlijk twee weken na de beschikking aan de vrouw dient af te geven op een usb-stick. De man heeft hiertegen in principe ook geen verweer gevoerd. De rechtbank zal dit opnemen in het dictum.
De rechtbank gaat er daarnaast vanuit dat zodra de verdeling van de inboedel is afgewikkeld, de man de huissleutels van de woning van de vrouw aan haar zal teruggeven, zoals de man in de stukken zelf heeft aangegeven te zullen doen. Deze bepaling leent zich niet voor opname in het dictum, maar de rechtbank gaat ervan uit dat de man zich hieraan zal houden.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op [datum] 2016 te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 706,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen als volgt vast:
  • aan beiden wordt ieder de helft van de saldi op de gezamenlijk bank- en spaarrekening van partijen bij Regiobank met bankrekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] toegedeeld per 22 oktober 2024, waarna de man de bank- en spaarrekening zal opheffen;
  • aan de vrouw zal worden toegedeeld de boekenplank 130 cm Garda, de boekenkast 70 cm Garda, de Samsung TV, de Samsung Soundbar, de keramieken pot ‘Mobach’ en alle overige zaken die in haar bezit zijn, zonder verrekening met de man;
  • aan de man zal worden toebedeeld de salontafel 60x120 Garda, de eettafel 200x120 ovaal Colombo, de bijzettafel ovaal (behorende bij de eettafel), twee nachtkastjes, een waterbed met toebehoren, een stapelbed met matrassen en alle overige zaken die in zijn bezit zijn, zonder verrekening met de vrouw;
*
bepaalt dat de man binnen twee weken na de beschikking aan de vrouw een usb-stick met daarop de digitale bestanden die partijen gezamenlijk in eigendom toebehoren (foto’s, gescande aankoopbonnen, handleidingen en correspondentie) afgeeft;
*
verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het verzoek van de vrouw om te verklaren voor recht dat de man geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaarden en de (deel)verzoeken van de vrouw voor zover die zien op een taxatie per 27 oktober 2022 en dat de eindwaarde wordt gecorrigeerd conform randnummer 23 van haar verweer;
*
houdt iedere beslissing
ten aanzien van de afwikkeling van artikel 11 van Pro de huwelijkse voorwaardenpro forma aan tot
1 mei 2026;
*
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de partneralimentatie en de verdeling en/of afgifte van (inboedel)goederen.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 januari 2026.