ECLI:NL:RBDHA:2026:3547

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
SGR 22/3865
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 2.1 WaboBouwbesluit 2012BouwverordeningWet algemene bepalingen omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens onterecht belanghebbende bij omgevingsvergunning dakopbouw

De zaak betreft een beroep tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor het vergroten van een woning door het maken van een dakopbouw. Eiseres maakte bezwaar tegen deze vergunning en stelde zich op het standpunt dat zij als belanghebbende moest worden aangemerkt vanwege haar zorgen over de leefbaarheid van de wijk.

De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiseres belanghebbende was in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de afstand van ruim 100 meter tussen de woningen, het ontbreken van zicht op de dakopbouw en het feit dat de vergunning geen extra woningen of parkeerplaatsen omvat, concludeerde de rechtbank dat eiseres geen belang van enige betekenis heeft bij het besluit.

Daarmee was het college onterecht uitgegaan van haar belanghebbendheid. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en voorzag zelf in de zaak door het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. Het college werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belanghebbendheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/3865

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. P. Yildrim).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het vergroten van een woning, door het maken van een dakopbouw. Eiseres is het niet eens met de verleende vergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiseres ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbende. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond, en voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 2 november 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van de woning aan de [adres 1] door het maken van een dakopbouw. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze vergunning. Met het bestreden besluit van 20 mei 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij het besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met onder meer de beroepen van eiseres tegen omgevingsvergunningen die zijn verleend voor het veranderen van woningen aan de [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en de [adres 6] (zaaknummers SGR 22/5, SGR 23/962 en SGR 23/1217). Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en vergunninghouder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 12 maart 2021 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten van de woning aan de [adres 1] door het maken van een dakopbouw.
3.1.
Met het besluit van 2 november 2021 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning ziet op de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Volgens het college voldoet het bouwplan aan de regels van het bestemmingsplan en heeft vergunninghouder voldoende aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening. Na meerdere aanpassingen van het bouwplan is ook de Welstands- en Monumentencommissie akkoord gegaan, zodat evenmin sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand. Het college heeft dit standpunt gehandhaafd in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften.

Beoordeling door de rechtbank

Is eiseres aan te merken belanghebbende?
4. De rechtbank zal eerst beoordelen of eiseres is aan te merken als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank moet dit ambtshalve doen.
4.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij als belanghebbende is aan te merken. Ze heeft weliswaar geen zicht op de dakopbouw, maar zij komt – samengevat weergeven – op voor de leefbaarheid van de wijk, waarin alsmaar meer dakopbouwen worden gerealiseerd. Dit leidt tot allerlei overlast, zoals toenemende (fiets-)parkeerdruk en ondergrondse restafvalcontainers.
4.2.
Het college heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat eiseres geen belanghebbende is omdat ze te ver van het bouwplan vandaan woont en er geen zicht op heeft. De aanwezigheid van ondergrondse restafvalcontainers en de (fiets-) parkeerproblematiek zijn niet aan de omgevingsvergunning gerelateerd, te meer omdat die ziet op het een uitbreiden van een bestaande woning en er dus ook geen aanvullende parkeereisen gelden. Om eiseres tegemoet te komen heeft het college haar bezwaar wel inhoudelijk beoordeeld. Ook vergunninghouder is volgens het college meer gebaat bij een inhoudelijke beoordeling. Het college neemt daarom geen afstand van het bestreden besluit, maar als de rechtbank oordeelt dat eiseres niet is aan te merken als belanghebbende kan het college zich daar in vinden.
4.3.
Vergunninghouder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet is aan te merken als belanghebbende, onder meer omdat zij vanuit haar woning geen zicht heeft op de [adres 1] en zij verder ook niets van de gerealiseerde dakopbouw merkt.
4.4.
De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 1:2 van Pro de Awb wordt onder belanghebbende verstaan, degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
4.5.
Om als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar belang bij het besluit hebben. In het omgevingsrecht is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de activiteit, in beginsel belanghebbende is bij de vaststelling van de besluit. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen [1] , dient het criterium "gevolgen van enige betekenis" als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene zo gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.6.
Eiseres woont aan [adres 7] . De omgevingsvergunning is verleend voor een dakopbouw op de [adres 1] . De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de woning van eiseres en de woning van vergunninghouder ruim 100 meter is. Eiseres heeft vanuit haar woning geen zicht op de dakopbouw. Dat heeft zij ter zitting ook bevestigd. Verder heeft het college er terecht op gewezen dat de omgevingsvergunning niet voorziet in extra woningen (en parkeerplaatsen), omdat het gaat om een uitbreiding van een bestaande woning. In zoverre ondervindt eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen gevolgen van enige betekenis. Nog daargelaten of eiseres daarmee een voldoende onderscheiden belang heeft ten opzichte van anderen, is de rechtbank gelet op het voorgaande ook van oordeel dat het vergunde bouwplan geen gevolgen van enige betekenis heeft voor de leefbaarheid van de wijk in algemene zin.
4.7.
De rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres niet is aan te merken als belanghebbende. Dat betekent dat het college het bezwaar van eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Het bestreden besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Brand, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4112.