Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag
[derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder).
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een beroep tegen een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor het vergroten van een woning door het maken van een dakopbouw. Eiseres maakte bezwaar tegen deze vergunning en stelde zich op het standpunt dat zij als belanghebbende moest worden aangemerkt vanwege haar zorgen over de leefbaarheid van de wijk.
De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiseres belanghebbende was in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de afstand van ruim 100 meter tussen de woningen, het ontbreken van zicht op de dakopbouw en het feit dat de vergunning geen extra woningen of parkeerplaatsen omvat, concludeerde de rechtbank dat eiseres geen belang van enige betekenis heeft bij het besluit.
Daarmee was het college onterecht uitgegaan van haar belanghebbendheid. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en voorzag zelf in de zaak door het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. Het college werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belanghebbendheid.