Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag van 18 januari 2024 door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank had eerder op 24 juli 2025 het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen met een dwangsom van € 200,- per dag. Verweerder stelde verzet in tegen deze uitspraak, waarna op 29 oktober 2025 een hersteluitspraak volgde die de beslistermijn verlengde naar acht weken en de dwangsom verlaagde naar € 100,- per dag.
Opposant stelde verzet in tegen de hersteluitspraak, maar dit werd als te laat ingediend beoordeeld. De rechtbank verklaarde het verzet van opposant ongegrond en dat van verweerder gegrond, waardoor de oorspronkelijke uitspraak van 24 juli 2025 verviel. Vervolgens werd het beroep opnieuw beoordeeld. De rechtbank constateerde dat de beslistermijn van 18 december 2024 was verstreken zonder besluit en verklaarde het beroep gegrond.
Vanwege de reeds verstreken tijd en een nieuw beroep van 8 augustus 2025 besloot de rechtbank af te wijken van de vaste gedragslijn en een beslistermijn van twee weken op te leggen met een dwangsom van € 100,- per dag tot een maximum van € 7.500,-. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen de uitspraak op het verzet staat geen hoger beroep open, wel tegen het besluit op het beroep.