ECLI:NL:RBDHA:2026:3570

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
NL25.12736 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 2.23 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen op aanvraag met dwangsom en proceskosten

De zaak betreft een beroep van opposant tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank had eerder op 1 augustus 2025 het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen twee weken een besluit te nemen met een dwangsom van €200 per dag. Verweerder stelde verzet in tegen deze uitspraak, waarna de rechtbank op 22 oktober 2025 een hersteluitspraak deed die de beslistermijn verlengde naar acht weken en de dwangsom verlaagde naar €100 per dag.

Opposant stelde verzet in tegen de hersteluitspraak, maar dit verzet werd als te laat ingediend beoordeeld. De rechtbank stelde echter vast dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege onduidelijkheden in de hersteluitspraak. De rechtbank liet de hersteluitspraak buiten beschouwing en beoordeelde het verzet tegen de oorspronkelijke uitspraak. Het verzet van opposant werd ongegrond verklaard, het verzet van verweerder gegrond, waardoor de oorspronkelijke uitspraak verviel.

De rechtbank behandelde tevens het beroep en verklaarde dit gegrond wegens overschrijding van de beslistermijn. Gezien de omstandigheden legde de rechtbank een beslistermijn van twee weken op met een dwangsom van €100 per dag, maximaal €7.500. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van opposant, vastgesteld op €934, en tot vergoeding van het griffierecht van €194.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van twee weken op met een dwangsom en veroordeelt verweerder in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12736 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant [1]
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),

en uitspraak in de beroepszaak tussen

opposant, tevens eiser
(gemachtigde: [gemachtigde])
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de hersteluitspraak van de rechtbank van 22 oktober 2025, waarin de rechtbank onderdelen van de uitspraak van 1 augustus 2025 op eisers beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag heeft gerectificeerd.
1.1.
Op 1 augustus 2025 heeft de rechtbank uitspraak gedaan met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag gegrond verklaard, verweerder opgedragen om binnen twee weken alsnog een besluit te nemen en bepaald dat verweerder een dwangsom van € 200,- verbeurt voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt met een maximum van € 15.000,-.
1.2.
Verweerder heeft tegen de uitspraak van 1 augustus 2025 verzet ingesteld en daarbij gewezen op een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 23 juli 2025 [2] waarin is bepaald dat voor opvolgende beroepen niet tijdig beslissen een beslistermijn van acht weken en een rechterlijke dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van
€ 7.500,-, redelijk is.
1.3.
In reactie op het verzetschrift van verweerder heeft de rechtbank op 22 oktober 2025 een hersteluitspraak gedaan. In de hersteluitspraak is de beslistermijn aangepast naar acht weken, en de dwangsom aangepast naar € 100,- per dag met een maximum van
€ 7.500,-.
1.4.
Opposant heeft verzet ingesteld tegen de hersteluitspraak van 22 oktober 2025 en heeft verzocht om te worden gehoord.
1.5.
De rechtbank heeft het verzet op 4 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van opposant was hierbij aanwezig. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting medegedeeld niet aanwezig te kunnen zijn.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank overweegt allereerst dat tegen een hersteluitspraak geen rechtsmiddel openstaat. [3] De rechtbank ziet het verzet daarom als gericht tegen de oorspronkelijke uitspraak zoals gewijzigd door de hersteluitspraak. De rechtbank stelt vast dat 12 september 2025 de laatste dag was waarop tijdig verzet kon worden ingesteld tegen de uitspraak van 1 augustus 2025. Door de rectificatie is geen nieuwe termijn voor het instellen van verzet gaan lopen. Het op 18 november 2025 door opposant ingestelde verzet is daarom te laat ingediend. In de hersteluitspraak is echter niet duidelijk vermeld dat de uitspraakdatum van de oorspronkelijke uitspraak ongewijzigd bleef. Ook is onderaan de hersteluitspraak foutief vermeld dat binnen zes weken een verzetschrift kon worden ingediend. De rechtbank vindt de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar.
3. Opposant betoogt terecht dat de wijzigingen die zijn aangebracht in de hersteluitspraak verder gaan dan waar de hersteluitspraak voor bedoeld is, namelijk het herstellen van een kennelijke fout. [4] De rechtbank zal daarom de hersteluitspraak buiten beschouwing laten. [5] In verzet moet daarom de oorspronkelijke uitspraak van 1 augustus 2025 beoordeeld worden. Zowel opposant als verweerder heeft verzet ingesteld tegen deze uitspraak. De rechtbank zal beide verzetten daarom hierna beoordelen.
4. Omdat opposant zich kan vinden in de oorspronkelijke uitspraak, is het verzet van opposant ongegrond.
5. Verweerder heeft er in zijn verzetschrift terecht op gewezen dat de uitspraak van 1 augustus 2025 kennelijk niet in lijn is met de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2025. De rechtbank verklaart het verzet van verweerder daarom gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 1 augustus 2025 vervalt.

Beoordeling door de rechtbank van het beroep

6. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. [6]
7. Bij uitspraak van 20 januari 2025 heeft deze rechtbank het eerdere beroep niet tijdig beslissen van eiser gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen acht weken, vanaf de bekendmaking van de uitspraak, alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken. De rechtbank heeft verder bepaald dat verweerder aan eisers een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
8. De rechtbank stelt vast dat de bij uitspraak van 20 januari 2025 opgedragen termijn eindigde op 17 maart 2025. Gelet op het vorenstaande is het beroep ontvankelijk en is sprake van overschrijding van de door de rechtbank opgedragen beslistermijn. De rechtbank verklaart het opvolgende beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eisers daarom gegrond.
9. Gelet op de inmiddels verstreken tijd en het feit dat eiser op 18 augustus 2025 ook reeds een nieuw beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ingediend (vanwege de in de uitspraak van 1 augustus 2025 opgelegde beslistermijn voor verweerder van twee weken), ziet de rechtbank aanleiding om in deze zaak af te wijken van de vaste gedragslijn en verweerder een beslistermijn van twee weken op te leggen in plaats van acht weken. De rechtbank bepaalt dat een dwangsom wordt verbeurd voor elke dag dat verweerder in gebreke blijft om aan de termijn van deze uitspraak te voldoen. In overeenstemming met de vaste gedragslijn van deze zittingsplaats stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 100,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. In overeenstemming met de vaste gedragslijn wordt het maximum bepaald op € 7.500,-.
10. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,-. [7] Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet van opposant ongegrond;
  • verklaart het verzet van verweerder gegrond;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag van 6 mei 2024;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
  • draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1449.
4.Zie artikel 2.23 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken.
5.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2583, r.o. 3.5.1.
6.Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
7.1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5.