Bij besluit van 7 februari 2026 legde de minister van Asiel en Migratie aan eiser een maatregel van vreemdelingenbewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak schriftelijk. Verweerder stelde dat de openbare orde de bewaring rechtvaardigt vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser voerde aan dat een lichter middel passend was, omdat hij bereid was Nederland te verlaten en zijn zus hem zou kunnen helpen met een reisticket. Ook stelde hij dat zijn medische klachten onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat de door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden, waaronder eerdere onttrekking aan toezicht en het niet concreet maken van vertrekwens, voldoende zijn gemotiveerd. De stelling van eiser dat hij zou vertrekken was onvoldoende geconcretiseerd en er was geen op naam gesteld ticket overlegd. Medische klachten waren in de beoordeling betrokken en er was geen bewijs dat medische zorg ontbrak.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.