ECLI:NL:RBDHA:2026:3589

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
SGR 24/6852 en 24/6853
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 8:58 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor zorgappartementen in afwijking bestemmingsplan

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht heeft verleend voor de bouw van een gebouw met zorgappartementen op een perceel in een woonwijk. Het perceel was eerder onbebouwd sinds de sloop van een schoolgebouw.

De rechtbank heeft beoordeeld of het bouwplan past binnen de bestemming 'Maatschappelijk' van het bestemmingsplan 'Centrum' en of het voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft gebruik gemaakt van binnenplanse afwijkingsmogelijkheden voor overschrijding van bouwvlak, bouwhoogte en bebouwingspercentage. Eisers voerden aan dat het bouwplan niet past, onder meer vanwege parkeerdruk, verkeersveiligheid, privacy, uitzicht, bezonning, groenverlies en participatie.

De rechtbank oordeelt dat het bouwplan passend is binnen de bestemming en dat voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De verkeersveiligheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten zijn gewaarborgd. De aantasting van privacy, uitzicht en bezonning is niet onaanvaardbaar, mede gelet op de ruime bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Het college heeft voldoende participatie geboden en het bouwveiligheidsplan is vastgesteld.

De beroepen zijn ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De rechtbank bevestigt dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend.

Uitkomst: De beroepen tegen de omgevingsvergunning voor het bouwplan zijn ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 24/6852 en 24/6853

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen

[eisers I], uit [woonplaats] , eisers I (SGR 24/6852),

[eiseres II] , uit [woonplaats] , eiseres II (SGR 24/6853)

tezamen: eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht, het college
(gemachtigde: mr. P.J. van Bruggen).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[derde-partij]uit [vestigingsplaats] , vergunninghoudster
(gemachtigden: mr. L. de Jeu en mr. R.D. van Oevelen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eisers tegen een omgevingsvergunning voor het oprichten van een gebouw met zorgappartementen op het perceel [adres] . Eisers zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Zij voeren daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen daarom geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 17 maart 2023 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een gebouw met zorgappartementen aan de [adres] .
2.1.
Met het besluit van 21 juni 2023 (het primaire besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2.
Met het bestreden besluit van 22 januari 2024 op de bezwaren van eisers heeft het college het primaire besluit herroepen en opnieuw op de aanvraag beslist. De omgevingsvergunning is hierbij andermaal verleend.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit bij de rechtbank Rotterdam.
2.4.
De rechtbank Rotterdam heeft de zaken met toepassing van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie ter verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Den Haag.
2.5.
Met het besluit van 4 december 2025 heeft het college een herstelbesluit genomen waarmee de motivering van het bestreden besluit is aangevuld ten aanzien van het aspect archeologie.
2.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers I zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. Eiseres II is verschenen. Het college heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . De gemachtigden van vergunninghoudster zijn verschenen, vergezeld door [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] en [naam 9] .

Beoordeling door de rechtbank

3. De voor de beoordeling van deze zaak belangrijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 17 maart 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Feiten en omstandigheden
5. Het perceel aan de [adres] bevindt zich in een woonwijk. Eisers zijn omwonenden van dit perceel. Op het perceel stond voorheen een schoolgebouw. Dit schoolgebouw is twaalf jaar geleden gesloopt en sindsdien is het terrein onbebouwd. Vergunninghoudster is voornemens op het perceel een gebouw met zorgappartementen te bouwen voor mensen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking die momenteel in voor hen ongeschikte woningen wonen. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De verleende omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen’ [1] en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’. [2] Eisers maken zich zorgen over de effecten van het bouwplan op hun woon- en leefomgeving en hebben daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Processuele overwegingen
Het herstelbesluit van 4 december 2025
6. Met het herstelbesluit van 4 december 2025 is de motivering van het bestreden besluit aangevuld. Met dit besluit is niet geheel tegemoetgekomen aan de beroepen van eisers. Dat betekent dat deze beroepen van rechtswege mede gericht zijn tegen het herstelbesluit van 4 december 2025. [3]
Ontvankelijkheid van het bezwaar van ouderenzorgcentrum [zorgcentrum]
7. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van eisers dat het college het bezwaar van het nabijgelegen ouderenzorgcentrum [zorgcentrum] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. [zorgcentrum] heeft zelf geen rechtsmiddelen aangewend tegen het bestreden besluit en niet gebleken is dat eisers [zorgcentrum] in deze beroepsprocedure mochten vertegenwoordigen. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [zorgcentrum] onherroepelijk is geworden.
Goede procesorde
8. Ingevolge artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen.
8.1.
De rechtbank heeft een groot aantal nadere stukken ontvangen van alle partijen. Een deel daarvan is minder dan tien dagen voor de zitting ingediend. De rechtbank ziet geen aanleiding om de nadere stukken buiten beschouwing te laten. De ingediende nadere stukken betreffen fotomateriaal, een pleitnota die grotendeels ter zitting is voorgedragen en stukken die reeds bij partijen bekend waren. De rechtbank overweegt dat partijen niet in hun belangen worden geschaad als deze nadere stukken bij de beoordeling van de beroepen worden betrokken, omdat partijen – gelet ook op de aard en omvang van deze stukken – voldoende gelegenheid hebben gehad hiervan kennis te nemen en hierop ter zitting te reageren.
Inhoudelijke overwegingen
Past het bouwplan binnen de bestemming “Maatschappelijk”?
9. Eisers I betogen dat het bouwen van zorgappartementen voor mensen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking niet past binnen de bestemming die op het perceel rust.
9.1.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Centrum” (het bestemmingsplan). De gronden waarop het bouwplan is voorzien hebben de bestemming “Maatschappelijk” en de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”.
9.2.
Op grond van artikel 12.1 van de planregels zijn gronden met de bestemming “Maatschappelijk” onder meer bestemd voor gezondheidszorg en (bejaarden)verzorgingsflats. Het college heeft, hierin gesteund door vergunninghoudster, toegelicht dat de hoofdfunctie van het bouwplan het bieden van verzorging, verpleging en behandeling voor mensen met een geestelijke en/of lichamelijke beperking is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht aangenomen dat dit gebruik passend is binnen het toegestane gebruik van de gronden voor gezondheidszorg en verzorgingsflats. Dat de toekomstige bewoners momenteel in woningen met een woonbestemming verblijven, maakt dit niet anders. Het college en vergunninghoudster hebben ter zitting onweersproken toegelicht dat het hierbij gaat om een tijdelijke situatie en dat de toekomstige bewoners de verzorging, verpleging en behandeling nodig hebben die hen in de op te richten zorgappartementen kan worden geboden. Het betoog slaagt niet.
Worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd?
10. Niet in geschil is dat op grond van het bestemmingsplan “Parapluherziening parkeernormen Hendrik-Ido-Ambacht” en de “Parkeernota Nieuwe Ontwikkelingen 2018” (de parkeernota) voor het bouwplan 18 parkeerplaatsen op eigen terrein nodig zijn.
11. Het college stelt zich op het standpunt dat bij het vergunde bouwplan 24 parkeerplaatsen worden gerealiseerd en dat deze parkeerplaatsen allemaal openbaar zijn. Volgens het college wordt daarmee ruimschoots voldaan aan de geldende parkeereis.
12. Eisers betwisten dat er 24 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, omdat volgens hen ten onrechte twee bestaande parkeerplaatsen worden meegerekend. Eisers voeren verder aan dat niet alle parkeerplaatsen op eigen terrein zijn voorzien, omdat deze parkeerplaatsen buiten het kadastrale perceel liggen waarop het bouwplan wordt gerealiseerd. Bovendien is in de wijk volgens eisers al sprake van een overbelaste parkeersituatie en zal deze door het bouwplan verder verslechteren.
12.1.
Op grond van vaste rechtspraak moet bij de beoordeling van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. [4] Bij het bepalen van de parkeereis heeft het college daarom terecht uitsluitend gekeken naar het aantal parkeerplaatsen dat als gevolg van het bouwplan gerealiseerd moet worden.
12.2.
Uit de situatietekening van 21 september 2023 die deel uitmaakt van het bestreden besluit, blijkt naar het oordeel van de rechtbank afdoende dat ten behoeve van het bouwplan wordt voorzien in meer dan de vereiste 18 parkeerplaatsen. Op deze tekening zijn 24 parkeerplaatsen zichtbaar rond het bouwplan. Uit de toelichting die is weergegeven op de tekening volgt dat de met A en B aangeduide parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de buurt. Verder zijn 11 parkeerplaatsen voorzien voor bezoekers (parkeerplaatsen 1 t/m 11) en 7 parkeerplaatsen voor eigen gebruik (parkeerplaatsen 12 t/m 18). De parkeerplaatsen die op de tekening zijn weergegeven met nummers 19 t/m 22 zijn extra. Gelet op deze situatietekening ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Dat, zoals eisers hebben aangevoerd, ten onrechte twee bestaande parkeerplaatsen zijn meegerekend doet, wat hiervan verder ook zij, hieraan niet af. Zelfs als deze twee parkeerplaatsen niet zouden zijn meegenomen, resteren immers nog steeds meer dan de 18 parkeerplaatsen die voor het bouwplan vereist zijn.
12.3.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat de parkeerplaatsen niet op eigen terrein worden gerealiseerd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat bij nieuwbouwlocaties parkeerplaatsen in de openbare ruimte mogen worden meegerekend, mits deze openbare ruimte deel uitmaakt van het projectgebied. Dit volgt uit artikel 4, onder b, van de parkeernota. Ter zitting heeft het college onweersproken toegelicht dat de parkeerplaatsen rond het gebouw worden gerealiseerd en dat deze zich binnen het projectgebied bevinden.
12.4.
Voor zover eisers hebben aangevoerd dat in de buurt nog vijf andere parkeerplaatsen zullen verdwijnen, overweegt de rechtbank dat het mogelijk verdwijnen van deze parkeerplaatsen niet het gevolg is van het bestreden besluit. Het college heeft hieraan bij het nemen van het bestreden besluit daarom geen gewicht kunnen toekennen.
13. Het betoog van eisers slaagt niet.
Mocht worden afgeweken van de bouwregels uit het bestemmingsplan?
14. De rechtbank stelt vast dat op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan op het perceel waarop het bouwplan is voorzien, omvangrijke bebouwing is toegestaan. Het bouwvlak op het perceel heeft een oppervlakte van 933 m2, waarvan op grond van het bestemmingsplan 80% (746 m2) bebouwd mag worden. De maximale goot- en bouwhoogte zijn op grond van het bestemmingsplan 5 meter en 10 meter.
15. Vaststaat dat het bouwplan op een aantal punten in strijd is met de bouwregels van het bestemmingsplan. Het vergunde bouwplan heeft binnen het bouwvlak een oppervlakte van 816 m2. Dat betekent dat binnen het bouwvlak 70 m2 meer wordt gebouwd dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan. Verder wordt 13 m2 van het bouwplan buiten het bouwvlak gerealiseerd en is de maximale bouwhoogte 10,5 meter. Ook de toegestane goothoogte wordt op een aantal plaatsen overschreden, tot maximaal 8,3 meter.
16. Het college heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt om van de bouwregels af te wijken.
Voor de overschrijding van het bouwvlak is het college op grond van artikel 30.1, aanhef en onder b, van de planregels afgeweken van het bepaalde in artikel 12.2, onder b, van de planregels. Om toe te staan dat meer dan 80% van het bouwvlak wordt bebouwd, is het college op grond van artikel 30.1, aanhef en onder a, van de planregels afgeweken van het bepaalde in artikel 12.2, onder e, van de planregels.
Voor de overschrijding van de maximaal toegestane bouw- en goothoogte is het college op grond van artikel 12.3, onder d en onder e, van de planregels afgeweken van het bepaalde in artikel 12.2, onder c, van de planregels.
17. Eisers betogen dat het college geen gebruik had mogen maken van de ingezette binnenplanse afwijkingsmogelijkheden, omdat het bouwplan niet voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Volgens eisers is sprake van een gebouw dat qua omvang en uitstraling niet passend is in de omgeving. Eisers vrezen dat het bouwplan nadelige effecten zal hebben voor de wijk, terwijl de wijk momenteel al overbelast is. Zo is er volgens eisers reeds in de huidige situatie sprake van een verkeersonveilige situatie en zal de komst van de zorgappartementen met de daarbij behorende verkeersbewegingen de situatie nog onveiliger maken. De verkeersdoorstroming zal volgens eisers worden belemmerd en hulpdiensten zullen de weg niet kunnen gebruiken in geval van een calamiteit. Zij wijzen in dit verband op een advies van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid uit 2011 dat is uitgebracht ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, waarin wordt aangedrongen op maatregelen ten aanzien van de situatie in de [adres] . Bovendien is volgens eisers onvoldoende rekening gehouden met de reeds bestaande parkeerdruk in de wijk. Eiseres II voegt hieraan toe dat zij door de realisatie van nieuwe parkeerplaatsen geen bruikbare toegang meer heeft tot haar garagebox, die zich op een pleintje naast het bouwplan bevindt.
Eisers voeren verder aan dat het bouwplan inbreuk maakt op hun privacy en hun uitzicht aantast, dat de bezonningsstudie onzorgvuldig is uitgevoerd en dat er groen verdwijnt in de omgeving. Volgens eisers heeft het college hier onvoldoende rekening mee gehouden.
Eisers betogen tot slot dat zij onvoldoende zijn betrokken bij de totstandkoming van het bouwplan.
17.1.
De rechtbank overweegt dat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden die het college heeft ingezet, op zichzelf de ruimte bieden om het bouwplan te vergunnen. De maximale oppervlakte en goot- en bouwhoogte die op grond van deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheden zijn toegestaan, worden met het bouwplan niet overschreden. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft mogen verlenen, tenzij geoordeeld moet worden dat het bouwplan strijd oplevert met een goede ruimtelijke ordening. Dit volgt uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo.
17.2.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
17.3.
In het licht van het voorgaande zal de rechtbank daarom beoordelen of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank zal dit doen aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Verkeer en bereikbaarheid hulpdiensten
18. Het betoog van eisers dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening omdat realisatie van het bouwplan zal leiden tot parkeeroverlast in de wijk, slaagt niet. De rechtbank wijst hiervoor terug naar overweging 10-13, waarin is overwogen dat het college terecht heeft aangenomen dat het bouwplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en dat daarom geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan “Parapluherziening parkeernormen Hendrik-Ido-Ambacht”.
18.1.
Ook het betoog van eiseres II dat zij door de te realiseren parkeerplaatsen met haar auto niet meer uit haar garagebox aan het garageplein kan draaien, slaagt niet. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit de situatietekening van 21 september 2023 blijkt dat de afstand tussen de parkeerplaatsen en de garagebox 7 meter bedraagt. Ter zitting heeft de verkeersdeskundige van de gemeente onweersproken toegelicht dat een afstand van 5,4 meter volstaat om de garagebox met een auto te kunnen gebruiken. De rechtbank ziet in wat eiseres II heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van die toelichting te twijfelen.
18.2.
Het betoog van eiseres II dat vergunninghoudster heeft toegezegd dat bij het garageplein geen parkeerplaatsen zouden worden gerealiseerd, kan in deze procedure niet aan de orde komen. In deze procedure ligt het bestreden besluit van het college ter beoordeling voor. Niet gebleken is dat het college op enig moment heeft toegezegd dat op deze locatie geen parkeerplaatsen gerealiseerd zouden worden.
18.3.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het college heeft miskend dat in de huidige situatie reeds sprake is van een verkeersonveilige situatie in de wijk en dat het bouwplan deze situatie verder zal verslechteren. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de [adres] een erftoegangsweg is waar zowel het huidige als het toekomstige aantal voertuigbewegingen ruim onder de 6000 voertuigbewegingen per etmaal blijft dat op dit soort wegen als aanvaardbaar geldt. Verder heeft de weg geen functie voor doorgaand verkeer, maar is deze uitsluitend bedoeld voor verkeer met een herkomst of bestemming in de wijk. De weg is volgens het college 6 meter breed, waarvan 4 meter resteert als aan één zijde van de weg wordt geparkeerd. Volgens het college is dit voldoende breed voor hulpdiensten. Bovendien wordt de doorstroming volgens het college niet gehinderd, nu twee haal- en brengplaatsen zijn voorzien op het eigen terrein bij het bouwplan. Eisers hebben deze standpunten van het college weliswaar bestreden, maar hun betoog niet nader onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De rechtbank ziet in dit betoog daarom geen aanleiding om de standpunten van het college in twijfel te trekken, te meer nu deze standpunten steun vinden in het aanvullend verkeerskundig advies van 14 december 2023 dat deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de bereikbaarheid in de praktijk regelmatig in het geding is omdat vaak fout wordt geparkeerd in de wijk, overweegt de rechtbank dat dit een kwestie van handhaving is en geen gevolg van het bestreden besluit.
Het betoog van eisers slaagt niet.
Privacy, uitzicht en bezonning
19. Het betoog van eisers dat het bouwplan tot onaanvaardbare aantasting van hun privacy leidt en het uitzicht vanuit hun woningen en de bezonning in hun tuin ontoelaatbaar aantast, slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
19.1.
De rechtbank begrijpt dat het bouwplan tot een ingrijpende verandering van de wijk leidt, omdat het bouwplan is voorzien op een terrein dat twaalf jaar lang onbebouwd is geweest. Ontegenzeggelijk zal het bouwplan daarom gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat van eisers en leiden tot een ingrijpende verandering van hun uitzicht ten opzichte van de bestaande situatie. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het bouwplan dient echter niet louter te worden gekeken naar de huidige feitelijke situatie, maar ook naar de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Zoals hiervoor onder 14 is vastgesteld, biedt het bestemmingsplan ruime bouwmogelijkheden op het perceel. Ook zonder af te wijken van het bestemmingsplan zou op het perceel dus een omvangrijk bouwwerk geplaatst kunnen worden. Dit is van belang voor de vraag of realisatie van het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
19.2.
Niet uit te sluiten is dat realisatie van het bouwplan zal leiden tot enige aantasting van de privacy van omwonenden. Het bouwplan heeft een aanzienlijke hoogte en aangenomen mag worden dat het gebouw op een aantal plaatsen zicht biedt in omliggende tuinen of woningen. Eisers hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanige aantasting van hun privacy, dat het bouwplan om die reden in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat volgens vaste rechtspraak aan wonen in een stedelijke omgeving inherent is dat er enige inkijk in de woning kan plaatsvinden. [5] Het college heeft in dit verband verder gewicht mogen toekennen aan de stedenbouwkundige adviezen van 13 september 2023 en 14 december 2023, die deel uitmaken van het bestreden besluit. Uit die adviezen volgt dat de afstand tussen de nieuwbouw en de omliggende woningen 10 meter of meer bedraagt. Op de eerste verdieping en in de kap van het bouwplan bevinden zich (smalle) ramen voor de daglichttoetreding, van waaruit zicht bestaat op de omgeving. Loodrecht zicht in de omliggende woningen is echter niet mogelijk. Gelet op de afstand tussen het bouwplan en de omliggende tuinen en woningen, heeft het college mogen aannemen dat geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van de privacy van eisers. Daarbij komt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de gevolgen van het bouwplan voor hun privacy wezenlijk verschillen van de gevolgen die zouden hebben plaatsgevonden bij een bouwplan waarmee niet van het bestemmingsplan zou zijn afgeweken.
19.3.
Met betrekking tot de gestelde aantasting van het uitzicht stelt de rechtbank voorop dat volgens vaste rechtspraak geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat en dat dit nog minder geldt in een binnenstedelijke omgeving. [6] Hoewel duidelijk is dat het bouwplan tot een ingrijpende aantasting van het uitzicht zal leiden voor diverse omwonenden, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat deze aantasting zich ook zou voordoen bij een bouwplan dat binnen de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan zou worden gerealiseerd. Niet gebleken is dat de beperkte overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte (10,5 meter in plaats van 10 meter) en de overschrijdingen van het bouwvlak en het maximaal toegestane bebouwingspercentage, wezenlijk van invloed zijn op de aantasting van het uitzicht van eisers. Het college heeft de gevolgen van het bouwplan voor het uitzicht van eisers daarom niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening hoeven achten.
19.4.
Het college heeft de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning van omliggende percelen laten onderzoeken. In het stedenbouwkundig advies van 13 september 2023 is aan de hand van een bezonningsonderzoek toegelicht dat het bouwplan voldoet aan de lichte TNO-norm, omdat op de woning van eiseres II – die direct naast het bouwplan ligt – dagelijks sprake is van 3 tot 3,5 uur bezonning. Dat is meer dan twee uur bezonning die vereist is op grond van de lichte TNO-norm. Eisers hebben de juistheid van dit bezonningsonderzoek niet gemotiveerd betwist en ook geen onderzoek van een eigen deskundige overgelegd die twijfel zaait over de resultaten van het bezonningsonderzoek. Het college heeft daarom mogen aannemen dat het bouwplan geen onaanvaardbare aantasting van de bezonning van de omliggende woningen met zich meebrengt. Het betoog van eisers slaagt niet.
Groen
20. Voor zover eisers betogen dat het college onvoldoende heeft meegewogen dat door het bouwplan het groen op het perceel verloren gaat, overweegt de rechtbank dat dit niet het gevolg is van de vergunde afwijking van het bestemmingsplan. Het betrokken perceel heeft in het bestemmingsplan de bestemming “Maatschappelijk” en mag op grond van het bestemmingsplan worden bebouwd. Dat het terrein twaalf jaar braak heeft gelegen en dat het perceel in de loop der jaren een groene uitstraling heeft gekregen, betekent niet dat de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet meer benut mogen worden.
Het betoog slaagt niet.
Participatie
21. Eisers betogen dat zij tijdens het langdurige voortraject van meerdere jaren onvoldoende zijn betrokken bij de totstandkoming van het bouwplan en dat bovendien onvoldoende is geluisterd naar hun opmerkingen. Eiseres II voert hierbij aan dat zij stelselmatig geen antwoord heeft ontvangen op haar schrijven en dat het college gemaakte afspraken niet is nagekomen. Het bestreden besluit is volgens eisers daarom onzorgvuldig voorbereid.
21.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat omwonenden tijdig zijn betrokken in de besluitvorming en dat er altijd naar de omwonenden is geluisterd. Volgens het college hebben er meerdere overleggen plaatsgevonden met eisers, vergunninghoudster en afgevaardigden van het college.
21.2.
De rechtbank stelt voorop dat de omgevingsvergunning is voorbereid met de reguliere procedure uit §3.2 van de Wabo. Niet gebleken is dat het college heeft gehandeld in strijd met de eisen die de reguliere voorbereidingsprocedure stelt. Uit het dossier blijkt dat het college in aanvulling hierop op diverse manieren en momenten contact heeft gehad met omwonenden over het bouwplan. Zo zijn er voorlichtingsavonden en digitale overleggen geweest en hebben eisers schriftelijk vragen aan het college kunnen stellen over het bouwplan. Niet in geschil is dat deze participatie vanuit de omgeving ook heeft geleid tot aanpassing van het bouwplan. Dat ook na deze aanpassingen geen sprake is van een voor eisers aanvaardbaar bouwplan, betekent niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het ontbreken van voldoende draagvlak voor het bouwvlak betekent evenmin dat het bouwplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. [7] Wat eisers hebben aangevoerd over de wijze van totstandkoming van de omgevingsvergunning, leidt daarom niet tot gegrondverklaring van het beroep.
Bouwveiligheidsplan
22. Het betoog van eisers dat de (verkeers)veiligheid tijdens de bouwwerkzaamheden onvoldoende is geborgd, slaagt niet. In de voorschriften bij de omgevingsvergunning is vastgelegd dat de bouwwerkzaamheden pas mogen plaatsvinden nadat het college schriftelijk heeft ingestemd met een door vergunninghoudster op te stellen bouwveiligheidsplan. Ter zitting heeft het college toegelicht dat dit bouwveiligheidsplan inmiddels is vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de veiligheid tijdens de bouwwerkzaamheden hiermee niet afdoende is verzekerd. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat op grond van afdeling 7.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving diverse verplichtingen gelden voor degene die bouw- en sloopwerkzaamheden uitvoert om de veiligheid tijdens deze werkzaamheden te borgen en de hinder als gevolg van deze werkzaamheden zoveel mogelijk te beperken.

Conclusie en gevolgen

23. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de omgevingsvergunning dus mogen verlenen. Het bestreden besluit, zoals aangevuld met het besluit van 4 december 2025, blijft in stand. Wat eisers voor het overige hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
23.1.
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of Pro 120 van de Woningwet;
de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van Pro die wet;
de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
(…).

Bestemmingsplan ‘Centrum’

Artikel 12.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. bibliotheken, gezondheidszorg, jeugd- en kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening en verenigingsleven, (bejaarden)verzorgingsflats en religieuze en levensbeschouwelijke activiteiten en bijeenkomsten;
(…);
c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en water.
Artikel 12.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
a. op deze gronden mag worden gebouwd;
b. gebouwen worden binnen het bouwvlak gebouwd;
c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven bouwhoogte;
d. de goothoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de met de maatvoeringaanduiding aangegeven goothoogte;
e. de totale oppervlakte van gebouwen en overkappingen bedraagt ten hoogste het met de maatvoeringaanduiding aangegeven bebouwingspercentage van het bouwvlak; indien geen bebouwingspercentage is aangegeven, geldt een bebouwingspercentage van 100% van het bouwperceel;
f. bij iedere bestemming mag ten hoogste één dienstwoning met een inhoud van ten hoogste 500 m3worden gebouwd;
g. bij iedere woning mag als bijgebouw een huishoudelijke berg- of werkruimte, garage en/of carport, met een grondoppervlakte van ten hoogste 30 m2, een goothoogte van ten hoogste 3 meter en een bouwhoogte van ten hoogste 4,5 meter worden gebouwd;
h. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - monument" geldt dat het bepaalde in de Monumentenwet van toepassing is;
i. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 10 m.
Artikel 12.3 Afwijken van de bouwregels
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van lid 12.2:
a. onder b: voor de bouw van bergingen en/of fietsenstallingen buiten het bouwvlak, mits de totale grondoppervlakte van de gebouwen per bestemmingsvlak niet meer dan 50 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 3 m zal bedragen;
b. onder b: ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering" voor de bouw van gebouwen buiten het bouwvlak, mits de totale grondoppervlakte van de gebouwen per bestemmingsvlak niet meer dan 100 m2 en de goot- en bouwhoogte niet meer dan 3 en 6 meter zal bedragen;
c. onder c en d tot maximaal 50 m voor de bouw van (klokke)torens;
d. onder c tot een bouwhoogte van ten hoogste 20 m;
e. onder d tot een goothoogte van ten hoogste 15 m;
f. onder f voor de bouw van een tweede dienstwoning met een goothoogte van ten hoogste 6 meter en een inhoud van ten hoogste 500 m3;
g. onder i tot ten hoogste 20 m.
Artikel 30.1, aanhef en onder a en b
Burgemeester en wethouders kunnen - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds een omgevingsvergunning voor afwijken kan worden verleend - met een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:
a. afwijkingen van maten met ten hoogste 10%. Een omgevingsvergunning voor afwijken wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. Een omgevingsvergunning voor afwijken wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Bestemmingsplan “Parapluherziening parkeernormen Hendrik-Ido-Ambacht”

Artikel 4.2
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van de functie van gebouwen en gronden van de in artikel 2.1 genoemde plannen wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de normering zoals deze is opgenomen in de 'Parkeernota Nieuwe ontwikkelingen 2018' (vastgesteld d.d. 8 juli 2019) en diens rechtsopvolger(s).

Parkeernota Nieuwe Ontwikkelingen 2018

Artikel 4, onderdeel b
Bij nieuwbouwlocaties mogen parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden meegeteld, mits deze openbare ruimte onderdeel is van het projectgebied.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo.
2.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo
3.Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2189.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1285, r.o. 7.2
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3598, r.o. 10.5.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1588.