ECLI:NL:RBDHA:2026:3610

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
NL25.51757
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a VwArt. 3:2 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid opvolgende asielaanvraag bevestigd ondanks procedureel gebrek

Eiser diende op 8 oktober 2025 een opvolgende asielaanvraag in, die op 22 oktober 2025 door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van relevante nieuwe elementen. Eerder was de eerste asielaanvraag van eiser op 19 mei 2025 kennelijk ongegrond verklaard en deze beslissing was in hoger beroep bevestigd.

De rechtbank constateert dat verweerder het bestreden besluit nam voordat de termijn voor het indienen van een zienswijze was verstreken, wat een procedureel gebrek oplevert. Dit gebrek leidt tot vernietiging van het besluit. Echter, de rechtbank oordeelt dat eiser waarschijnlijk geen andere zienswijze had ingediend die tot een ander resultaat had geleid.

Inhoudelijk beoordeelt de rechtbank dat hoewel er sprake is van nieuwe elementen, deze niet relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De video die eiser aanvoert is niet overlegd, laat staan objectief verifieerbaar, en de houding van eiser wekt geen oprechte behoefte aan bescherming.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot niet-ontvankelijkheid wordt vernietigd wegens procedureel gebrek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51757

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers),

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiser heeft op 8 oktober 2025 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 deze aanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit
De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De procedure over de eerste asielaanvraag

1. Bij besluit van 19 mei 2025 heeft verweerder de eerste asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard, omdat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Het beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 4 september 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, ongegrond verklaard (NL25.22885). Ook het hoger beroep van eiser is op 18 september 2025 ongegrond verklaard. Daarmee staat het besluit van 19 mei 2025 in rechte vast.
Het bestreden besluit
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, maar deze niet relevant zijn bij de beoordeling van de opvolgende asielaanvraag. In de eerdere procedure is het asielrelaas van eiser, waaronder de problemen met derden, ongeloofwaardig bevonden. De video waar eiser thans naar verwijst ter onderbouwing van zijn asielrelaas is niet in zijn bezit. Daarbij komt dat de omschrijving hiervan – dat er mensen bij een huis te zien zijn – geen aanleiding geeft voor nader onderzoek. Eiser heeft pas in aanloop naar zijn uitzetting over deze video verklaard, terwijl hij al ruim een week op de hoogte was van het bestaan hiervan. Tevens zou de informatie over de video afkomstig zijn van eisers moeder, zodat het niet objectief en onafhankelijk verifieerbaar is. Ten slotte geeft de houding van eiser tegenover de IND-medewerkers en DJI-casemanagers geen blijk van een oprechte behoefte aan internationale bescherming. Uit het vertrekgesprek blijkt dat eiser heeft gevraagd om een financiële bijdrage vanaf het vliegveld en uit een verslag van DJI volgt dat hij vertelt niet de Marokkaanse maar de Libische nationaliteit te hebben. In de eerdere procedure heeft eiser ook geweigerd om naar een gehoor te komen en heeft hij tijdens het gehoor geweigerd om vragen te beantwoorden.
Het standpunt van eiser
3. Eiser voert ten eerste aan dat verweerder op 8 oktober 2025 een voornemen heeft uitgebracht. In dit voornemen is opgenomen dat eiser twee weken de tijd had om hier schriftelijk op te reageren. Verweerder heeft het bestreden besluit op 22 oktober 2025 uitgebracht, voordat deze termijn was verlopen en voordat eiser had gereageerd. Eiser is van mening dat het bestreden besluit daarom onzorgvuldig tot stand is gekomen. Ten tweede miskent verweerder dat eiser zich in detentie bevond en dus geen video kon overleggen. Ook werpt verweerder ten onrechte aan eiser tegen dat hij in het vertrekgesprek heeft gevraagd om een financiële bijdrage. Het gesprek gaat in op terugkeer en is geïnitieerd door Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Dit staat los van het standpunt dat eiser niet kan terugkeren, terwijl terugkeer leidt tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM (het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden). Eiser is van mening dat verweerder de verklaringen van eiser ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld.

Beoordeling door de rechtbank

Is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen?
4. De rechtbank stelt vast dat eiser twee weken de tijd had om een zienswijze in te dienen. Deze termijn liep tot en met 22 oktober 2025. Verweerder heeft zich niet aan de termijn gehouden door het bestreden besluit al op 22 oktober 2025 te nemen. Verweerder heeft zich hieromtrent ter zitting op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit om vier uur ’s middags is verstuurd. Eiser had toen nog geen zienswijze ingediend en niet is gebleken dat eiser deze alsnog wilde indienen. Verweerder meent daarom dat geen sprake is van een gebrek. De rechtbank volgt verweerder op dit punt niet. De termijn om een zienswijze in te dienen verstreek op 22 oktober 2025 aan het einde van de dag. Niet kan worden uitgesloten dat eiser later op de dag nog een zienswijze wilde indienen. De zienswijze vormt een essentieel onderdeel van de procedure dat vooraf gaat aan de totstandkoming van het bestreden besluit en verweerder dient deze termijn te respecteren. Er is daarom op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) sprake van een gebrek. De rechtbank vernietigt, gelet op dit gebrek, het bestreden besluit. Het beroep is daarom gegrond.
Kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven?
5. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser in de zienswijze iets anders naar voren had willen brengen dan uit de gronden van beroep is gebleken. De rechtbank overweegt ten aanzien van de overige beroepsgronden als volgt.
Heeft eiser relevante nieuwe elementen en bevindingen aangevoerd?
6.1.
Als een vreemdeling een opvolgende asielaanvraag indient, omdat hij meent dat zijn situatie is veranderd, dan moet hij nieuwe elementen of bevindingen aandragen (fase 1 van stap 1) die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag (fase 2 van stap 1). Elementen of bevindingen zijn nieuw wanneer die niet zijn onderzocht in het kader van het op de vorige asielaanvraag genomen besluit en waarop dat besluit niet kon worden gebaseerd. Alleen als er nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere asielaanvraag, komt verweerder toe aan een beoordeling van de vraag of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Pas als de opvolgende asielaanvraag voldoet aan deze twee fasen (van stap 1), en dus ontvankelijk is, wordt overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling (stap 2). [1]
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van nieuwe elementen of bevindingen (fase 1 van stap 1), nu eiser niet eerder heeft verteld over het bestaan van een video, maar zijn deze nieuwe elementen of bevindingen niet relevant voor de beoordeling (fase 2 van stap 1). Dit nu een onderbouwing ontbreekt, sprake is van een late indiening zonder verschoonbare verklaring en hetgeen is aangevoerd evident niet kan leiden tot inwilliging van de aanvraag. Verweerder heeft eiser in dat kader mogen tegenwerpen dat hij geen documenten ter onderbouwing heeft overgelegd, en hij eerst in aanloop naar de uitzetting over de video heeft verklaard terwijl hij daarmee al eerder bekend was. Ter zitting heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser nog steeds geen video heeft overgelegd, terwijl er ondertussen drie maanden zijn verstreken. Dat eiser in detentie verbleef, zoals hij heeft gesteld, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Te meer nu verweerder er op zitting op heeft gewezen dat eiser in de tussentijd twee maanden op vrije voeten in Marokko heeft verbleven. Aan de omschrijving van de inhoud van de video heeft verweerder bovendien de conclusie mogen verbinden dat deze geen aanleiding geeft voor nader onderzoek. Hierbij komt dat verweerder uit eisers houding tegenover de IND- en DJI-casemanagers heeft mogen afleiden dat er geen oprechte behoefte aan internationale bescherming bestaat. Verweerder heeft daarbij de redenen van afwijzing van de vorige asielaanvraag kunnen betrekken. De verklaringen van eiser zijn in die procedure vaag, summier en wisselend bevonden, waarbij verweerder tot de slotsom is gekomen dat het asielmotief als geheel niet overtuigde en kennelijk vals is. Tevens woog mee dat eiser - ook - die aanvraag had ingediend toen een vlucht voor hem stond gepland. Nu de opvolgende aanvraag van eiser aldus niet aan (fase 2 van) stap 1 voldoet, heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder de verklaringen van eiser inhoudelijk had moeten beoordelen, zoals eiser heeft gesteld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat sprake is van een gebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat verweerder de aanvraag niet in behandeling hoeft te nemen.
8. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 oktober 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie voor het beoordelingskader bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208, over het arrest LH van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478 en de uitspraak van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699