ECLI:NL:RBDHA:2026:3642

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
NL26.7098
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht wegens voldoende voortvarendheid minister

Eiser is op 8 februari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend was in de verwijdering uit Nederland, verwijzend naar een eerdere bewaring vanaf 15 oktober 2025 en het vertrekgesprek van 12 februari 2026.

De rechtbank oordeelt dat de eerdere bewaring inmiddels is opgeheven en dat de maatregel van 8 februari 2026 geldig is. Het vertrekgesprek vond plaats op de vierde dag van de bewaring en betrof een daadwerkelijke handeling gericht op vertrek. Tevens is een aanvraag voor een laissez-passer ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten, met herhaalde rappels.

De rechtbank concludeert dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en ziet geen onrechtmatigheid in de maatregel van bewaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7098

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.L. Crutzen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn: eiser (met behulp van een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
1. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. Eiser is al op 15 oktober 2025 in bewaring gesteld. Er heeft wel een vertrekgesprek plaatsgevonden op 12 februari 2026, maar tijdens het gesprek is niet gesproken over de gang van zaken met betrekking tot de overdracht naar Marokko.
1.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De maatregel is op 8 februari 2026 aan eiser opgelegd. De door eiser genoemde datum, namelijk 15 oktober 2025, betreft een eerdere maatregel van bewaring die inmiddels is opgeheven. Op 12 februari 2026 vond het vertrekgesprek plaats, waarin onder meer is aangegeven dat eiser dient terug te keren naar het land van herkomst. Een vertrekgesprek is een daadwerkelijke handeling gericht op vertrek. Het vertrekgesprek vond plaats op de vierde dag van de bewaring. Gelet op het vertrekgesprek is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan eisers verwijdering uit Nederland heeft gewerkt. [1] Ook is tijdens het vertrekgesprek aangegeven dat een aanvraag voor een laissez-passer (lp) is verzonden naar de Marokkaanse autoriteiten. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat de lp-aanvraag al is ingediend op 27 oktober 2025 en dat deze nog in behandeling is. Het laatste rappel is op 29 januari 2026 verstuurd en er zal binnenkort weer worden gerappelleerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?
2. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens ook geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RVS:2024:777, r.o. 7.2.2 en 7.3.
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).