ECLI:NL:RBDHA:2026:3652
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vertrek met onbekende bestemming in asielprocedure
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, maar de rechtbank heeft vastgesteld dat eiser op 23 januari 2026 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is geregistreerd als 'met onbekende bestemming vertrokken'. De gemachtigde van eiser heeft bevestigd dat er al geruime tijd geen contact meer is met eiser.
Op grond van vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder bericht met onbekende bestemming vertrekt en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde, geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Hierdoor ontbreekt het aan een rechtens te beschermen belang bij het beroep.
De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter C.E. Bos en griffier J. Dommerholt op 12 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde.