ECLI:NL:RBDHA:2026:3652

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
NL25.64058
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vertrek met onbekende bestemming in asielprocedure

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, maar de rechtbank heeft vastgesteld dat eiser op 23 januari 2026 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is geregistreerd als 'met onbekende bestemming vertrokken'. De gemachtigde van eiser heeft bevestigd dat er al geruime tijd geen contact meer is met eiser.

Op grond van vaste rechtspraak wordt aangenomen dat een vreemdeling die zonder bericht met onbekende bestemming vertrekt en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde, geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Hierdoor ontbreekt het aan een rechtens te beschermen belang bij het beroep.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter C.E. Bos en griffier J. Dommerholt op 12 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.64058

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [persoon A] )

Inleiding

1. Bij besluit van 29 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3. Verweerder heeft op 2 februari 2026 een systeemuitdraai overlegd, waaruit blijkt dat eiser op 23 januari 2026 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’. De rechtbank heeft op 3 februari 2026 aan de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of zij nog contact onderhoudt met eiser. Daarop heeft de gemachtigde van eiser op 10 februari 2026 te kennen gegeven dat zij al geruime tijd geen contact heeft met eiser.
4. Nu eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang van het COa en de gemachtigde van eiser geen contact meer heeft met eiser, moet ervan worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland gezochte bescherming. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 29 december 2025.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.