ECLI:NL:RBDHA:2026:366

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695419 / KG RK 25-1641
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in civiele procedure

Op 12 januari 2026 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Den Haag het wrakingsverzoek van verzoeker afgewezen. Verzoeker had de wrakingsgrond met betrekking tot de niet betekende dagvaarding te laat aangevoerd, zonder een redelijke verklaring te geven voor deze vertraging. Hierdoor kon de wrakingskamer niet inhoudelijk op deze grond ingaan. Daarnaast oordeelde de wrakingskamer dat de beslissing van de rechter om bepaalde stukken van verzoeker buiten beschouwing te laten, een processuele beslissing betreft. De wrakingskamer kan geen oordeel vellen over dergelijke (tussen)beslissingen, aangezien wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer concludeert dat verzoeker niet kan worden ontvangen in zijn verzoek en wijst het af. De procedure in de hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/74
zaak- /rekestnummer: C/09/695419 / KG RK 25-1641
Beslissing van 12 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] (Frankrijk),
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. T.F. Hesselink,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de zitting van 27 november 2025;
- de reactie van de rechter van 18 december 2025.
1.2.
Op 29 december 2025 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker (via een online verbinding);
- [wederpartij in de hoofdzaak] en zijn advocaat, mr. J.S. Kuiper, de wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorders.
De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/693824 – KG ZA 25-1061 tussen verzoeker (als eiser in verzet) en [wederpartij in de hoofdzaak] en Care for Companies B.V. (hierna: [wederpartij in de hoofdzaak] c.s.) als gedaagden in verzet.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 27 november 2025 en de toelichting tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer – kort gezegd – het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
Verzoeker is van mening dat sprake is van een oneerlijk proces, omdat de dagvaarding in de kort gedingprocedure niet is betekend en de voorzieningenrechter tijdens de zitting in de verzetprocedure op 27 november 2025 heeft beslist om de door verzoeker op dezelfde dag overgelegde producties niet in het dossier te voegen en dus buiten beschouwing te laten.
Verzoeker heeft de rechter daarom gewraakt en daartoe het volgende aangevoerd, zoals weergegeven in het proces-verbaal van 27 november 2025:
“U heeft een verstekvonnis uitgesproken op grond van een niet betekende dagvaarding. U heeft alvorens dat u dat accepteerde hen al teruggestuurd, blijkbaar in februari, omdat er niet voldaan werd aan de vierwekentermijn. Dat kan ik door een advocaat laten bevestigen als u dat wil. Dan blijkt dat er een verstekvonnis is. Mr. Vink heeft dat ontvangen van de wederpartij. Dat was mij niet kenbaar gemaakt. Ook niet door [wederpartij in de hoofdzaak] die mij probeerde af te persen. Dat staat in de stukken die wij nu willen inbrengen. Daar wordt door u niet naar gekeken. Op het verhaal van mr. Vink dat hij een verstekvonnis heeft ontvangen, ben ik gaan bellen met de griffie over hoe er een verstekvonnis kan zijn. De griffie heeft aangegeven dat er een dagvaarding is uitgebracht. Daarop vroeg ik of zij dat konden bewijzen. Dat was voor hen lastig. Ik moest daarvoor bij de partijen zijn. Toen zei ik dat de dagvaarding er niet is. Ik vroeg toen of er niets was wat wel bekend was. Toen zeiden ze dat ze konden zien dat er door mr. Kuiper een verzoek was ingediend over betekening van de stukken. Klaarblijkelijk is daar door u een beslissing op genomen dat op juiste wijze betekend is. Ik heb een verklaring bijgevoegd van mijn huisgenoot die mij goed kent en waarmee ik al geruime tijd samenwoon en die zegt ik kan mij niets heugen. Als u die stukken niet bij wil voegen, vind ik dat sprake is van een oneerlijk proces. En dat is het ook.”
“De stukken zijn van belang voor deze zaak. Als u ze niet accepteert, is het een oneerlijk proces. Zeker na het plegen van meineed in de stukken die op het laatste moment zijn ingebracht.”
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.
3.2.
Verzoeker legt aan het verzoek ten grondslag dat sprake is geweest van partijdigheid dan wel vooringenomenheid van de rechter doordat mr. Kuiper ten onrechte is geïnformeerd door de griffie over de betekening van de dagvaarding in de kort gedingprocedure en dat de stukken van verzoeker, die zijn ingediend op 27 november 2025, buiten beschouwing zijn gelaten.
3.3.
De wrakingskamer overweegt dat de wrakingsgrond van verzoeker ten aanzien van de niet betekende dagvaarding te laat is aangevoerd. Uit het dossier blijkt dat verzoeker, op het moment dat hij het verstekvonnis kreeg opgestuurd, op de hoogte was van de wijze van de betekening van de stukken. Het verstekvonnis dateert van 3 april 2025. Verzoeker heeft echter pas op 27 november 2025 de wijze van betekening van de kort gedingdagvaarding aangevoerd als wrakingsgrond. Voor dit tijdsverloop is door verzoeker geen redelijke verklaring gegeven. Het verzoek is daarom te laat ingediend en verzoeker kan dan ook in zoverre niet worden ontvangen in het verzoek. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek op deze wrakingsgrond komt de wrakingskamer daarom niet toe.
3.4.
De beslissing van de rechter om stukken van verzoeker buiten beschouwing te laten, betreft een processuele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking: wraking is namelijk geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de processuele (tussen)beslissingen, niet toewijsbaar is.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
  • de verzoeker;
  • de rechter;
  • de wederpartij in de hoofdzaak [wederpartij in de hoofdzaak] c.s. p/a mr. J.S. Kuiper.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M. Kramer, D. Biever en A.M.A. Keulen, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.M.C. Mulders en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.