ECLI:NL:RBDHA:2026:3682

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
NL25.32499
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Belanghebbende diende op 18 maart 2024 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. Nadat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist, stelde belanghebbende de minister op 6 februari 2025 in gebreke en ging op 27 februari 2025 in beroep wegens het niet tijdig beslissen.

De rechtbank Den Haag verklaarde het eerste beroep op 2 juli 2025 gegrond en legde een beslistermijn van zestien weken op met een dwangsom van € 100 per dag, maximaal € 15.000. Belanghebbende stelde op 17 juli 2025 opnieuw beroep in omdat de minister nog steeds niet had beslist, terwijl de maximale beslistermijn van 21 maanden op 18 december 2025 was verstreken.

De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijkstaat aan een besluit dat vernietigd kan worden en verklaarde het tweede beroep gegrond. De rechtbank bepaalde dat de minister uiterlijk op 19 maart 2026 alsnog moet beslissen en legde een aanvullende dwangsom op van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten van belanghebbende van € 467.

De uitspraak werd gedaan door rechter A.E.J.M. Gielen en griffier S. Yagkoubi. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en legt een nieuwe beslistermijn met dwangsom op.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.32499
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[belanghebbende] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. J. Bravo Mougán),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Belanghebbende heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gelegenheid van verweer gehad.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft op 18 maart 2024 een asielaanvraag ingediend. Belanghebbende heeft verweerder op 6 februari 2025 in gebreke gesteld, waarna hij op 27 februari 2025 in beroep is gegaan wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.
2. Op het beroep dat is ingesteld op 27 februari 2025, geregistreerd onder zaaknummer NL25.9353, heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, op 2 juli 2025 uitspraak gedaan en dat beroep gegrond verklaard. [2] De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen zestien weken op de aanvraag van belanghebbende te beslissen. De rechtbank heeft daaraan een rechterlijke dwangsom verbonden van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
3. Op 17 juli 2025 heeft belanghebbende opnieuw beroep ingesteld. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder reeds op de aanvraag heeft beslist, terwijl de maximale termijn van 21 maanden om te beslissen op een asielaanvraag inmiddels op 18 december 2025 is verstreken. Omdat verweerder nog geen besluit op de aanvraag bekend heeft gemaakt, is het beroep gegrond. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.
4. De door de rechtbank bij uitspraak van 2 juli 2025 bepaalde beslistermijn van 16 weken is op 20 oktober 2025 verstreken. De rechterlijke dwangsom loopt vol op 19 maart 2026. De rechtbank ziet in deze omstandigheid en in het feit dat de maximale beslistermijn van 21 maanden reeds is verstreken aanleiding om, met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, te bepalen dat verweerder zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk op 19 maart 2026 alsnog op de aanvraag dient te beslissen. [3] De rechtbank verbindt aan het overschrijden van deze termijn een aanvullende rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank,
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 19 maart 2026 een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan belanghebbende een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
S. Yagkoubi, griffier.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4865.