Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 18 mei 2024 een asielaanvraag in die door verweerder op 17 december 2025 werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen deze afwijzing. Verweerder motiveerde onvoldoende waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld in Syrië van toepassing zou zijn, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 11 december 2025 waarin werd geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden, direct of indirect veroorzaakt door een actor in een gewapend conflict, moeten worden betrokken bij de beoordeling. Verweerder had deze omstandigheden niet adequaat meegenomen, wat een motiveringsgebrek oplevert.
Verweerder baseerde zich onder meer op het EUAA-rapport van december 2025 en gegevens over terugkeer van ontheemden, maar deze bronnen rechtvaardigen volgens de rechtbank geen afwijking van de eerdere uitspraak. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak.
Daarnaast krijgt eiser een proceskostenvergoeding van €1.868,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om de overige beroepsgronden te behandelen, omdat het motiveringsgebrek het besluit reeds onhoudbaar maakt.