ECLI:NL:RBDHA:2026:3847
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen onbevoegdheidsuitspraak inzake terugkeerbesluit derdelander uit Oekraïne ongegrond verklaard
Opposant, een derdelander uit Oekraïne, stelde verzet in tegen een uitspraak van 5 september 2025 waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van zijn beroep tegen een informatiebrief van 16 juli 2025. Deze brief informeerde over het einde van de facultatieve tijdelijke bescherming en de gevolgen daarvan, waaronder een vertrekplicht per 4 september 2025.
De rechtbank oordeelde dat de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb is, maar een algemene informatiebrief zonder nieuwe rechtsgevolgen. Het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 staat in rechte vast en is onherroepelijk. Opposant voerde aan dat de brief wel een besluit is en dat hij rechtmatig verblijf had door de bevriezingsmaatregel, maar deze stellingen werden verworpen.
Daarnaast werd het beroep te laat ingediend en was de termijnoverschrijding niet verschoonbaar, mede omdat de gemachtigde van opposant als professionele rechtshulpverlener geacht wordt de termijnen te kennen. De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en handhaafde haar eerdere uitspraak, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdheidsuitspraak wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.