ECLI:NL:RBDHA:2026:3879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/09/691012 / HA RK 25-471
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidartikel 11 Zweedse nationaliteitswetgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoekster met Palestijnse achtergrond

Verzoekster, geboren in 1989 in Syrië en van Palestijnse afkomst, heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van haar staatloosheid. Zij verbleef van 2018 tot 2024 in Zweden en is in 2024 gehuwd met een Nederlandse partner. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft diverse documenten van verzoekster onderzocht en positief beoordeeld, waaronder Syrische en Palestijnse documenten en UNRWA-registraties.

De rechtbank baseert haar oordeel op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023). Verzoekster woont in Nederland en heeft een onmiddellijk belang bij het verzoek, waardoor zij ontvankelijk is. De rechtbank betrekt de Palestijnse Gebieden, Syrië en Zweden in haar beoordeling.

De rechtbank concludeert dat Nederland de Palestijnse nationaliteit niet erkent en Palestijnen uit de Palestijnse gebieden als staatloos beschouwt. De Syrische nationaliteitswetgeving maakt het onwaarschijnlijk dat verzoekster de Syrische nationaliteit bezit, mede omdat zij een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen heeft. Ook in Zweden is verzoekster geregistreerd als staatloos en heeft zij geen Zweedse nationaliteit.

Op grond van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verzoekster staatloos is en wijst het verzoek tot vaststelling van staatloosheid toe.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster staatloos is en wijst het verzoek tot vaststelling van staatloosheid toe.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-471
Zaaknummer: C/09/691012
Datum beschikking: 27 januari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 5 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.P. van Mulken te Nuth.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. S.J. Versteeg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 3 november 2025 van de Staat;
- de brief van 3 december 2025 van verzoekster;
- de brief van 16 december 2025 van de Staat;
- het e-mailbericht van 17 december 2025 van verzoekster.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoekster.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats], [geboorteland].
- Verzoekster stelt van 28 juni 2018 tot 31 augustus 2024 in [land 1] te hebben
verbleven, waar zij een verblijfsvergunning had.
- Verzoekster is op [datum] 2024 gehuwd met haar Nederlandse partner. Op 8 maart
2024 heeft verzoekster een reguliere verblijfsvergunning aangevraagd voor verblijf
bij haar partner. Op 6 mei 2024 is deze aanvraag ingewilligd.
- Door Bureau Documenten van de IND is een aantal documenten van verzoekster
onderzocht en positief beoordeeld, te weten:
- een Syrisch uittreksel uit het geboorteregister;
- een Palestijnse identiteitskaart;
- een Syrisch familie uittreksel voor Palestijnse vluchtelingen;
- een Syrisch individueel uittreksel voor Palestijnse vluchtelingen van beide ouders van verzoekster;
- een UNRWA registratiekaart van beide ouders van verzoekster;
- een UNRWA familie registratiekaart van verzoekster en haar ex-man;
- een UNRWA familieregistratiekaart van verzoekster en haar broer.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden, [land 2] en [land 1] in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoekster te betrekken. Dit omdat verzoekster stelt van Palestijnse afkomst te zijn, in [geboorteland] geboren is en zij van 28 juni 2018 tot 31 augustus 2024 in [land 1] heeft verbleven.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoekster overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – is het aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoekster als onderdaan van [land 2] beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van [land 2] (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht [land 2]’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in [land 2] en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Syrische nationaliteit via haar vader of moeder kan hebben verkregen.
Verzoekster beschikt ook over een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen, zodat aannemelijk is dat de Syrische overheid verzoekster beschouwt als Palestijn zonder de Syrische nationaliteit.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in [land 2] in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoekster beschikt over de nationaliteit van [land 2].
Wordt verzoekster als onderdaan van [land 1] beschouwd?
Uit de stukken kan worden afgeleid dat verzoekster nooit over een vergunning voor permanent verblijf in [land 1] heeft gehad. Het is daarom niet aannemelijk dat verzoekster heeft voldaan aan de voorwaarden voor naturalisatie in [land 1] (artikel 11 van Pro de Zweedse nationaliteitwetgeving). Verder volgt uit het overgelegde Zweedse reisdocument dat verzoekster in [land 1] was geregistreerd als staatloos, zodat kan worden vastgesteld dat verzoekster niet de Zweedse nationaliteit heeft.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoekster vast.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoekster staatloos is;
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.