ECLI:NL:RBDHA:2026:3879
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van staatloosheid van verzoekster met Palestijnse achtergrond
Verzoekster, geboren in 1989 in Syrië en van Palestijnse afkomst, heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van haar staatloosheid. Zij verbleef van 2018 tot 2024 in Zweden en is in 2024 gehuwd met een Nederlandse partner. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft diverse documenten van verzoekster onderzocht en positief beoordeeld, waaronder Syrische en Palestijnse documenten en UNRWA-registraties.
De rechtbank baseert haar oordeel op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023). Verzoekster woont in Nederland en heeft een onmiddellijk belang bij het verzoek, waardoor zij ontvankelijk is. De rechtbank betrekt de Palestijnse Gebieden, Syrië en Zweden in haar beoordeling.
De rechtbank concludeert dat Nederland de Palestijnse nationaliteit niet erkent en Palestijnen uit de Palestijnse gebieden als staatloos beschouwt. De Syrische nationaliteitswetgeving maakt het onwaarschijnlijk dat verzoekster de Syrische nationaliteit bezit, mede omdat zij een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen heeft. Ook in Zweden is verzoekster geregistreerd als staatloos en heeft zij geen Zweedse nationaliteit.
Op grond van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verzoekster staatloos is en wijst het verzoek tot vaststelling van staatloosheid toe.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster staatloos is en wijst het verzoek tot vaststelling van staatloosheid toe.