ECLI:NL:RBDHA:2026:3961

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
NL26.8305
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 69 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening tegen terugkeerbesluit

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, stelde beroep in tegen een terugkeerbesluit van 23 december 2025, dat tevens een inreisverbod van twee jaar bevatte. De beroepstermijn bedroeg één week, waardoor het beroep uiterlijk op 30 december 2025 ingediend had moeten zijn. Eiser diende het beroep echter pas op 13 februari 2026 in, wat te laat is.

Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit niet rechtsgeldig aan hem was bekendgemaakt, omdat hij niet op de hoogte was van het besluit en er geen bewijs was van uitreiking. De rechtbank oordeelde dat het besluit rechtsgeldig was bekendgemaakt door terinzagelegging op een daartoe bestemde plek bij het Asielzoekerscentrum in een plaats, conform artikel 3:41, tweede lid, van de Awb en het beleid uit de Vreemdelingencirculaire.

Daarnaast werd het inreisverbod gepubliceerd in de Staatscourant, wat als onderdeel van het terugkeerbesluit geldt. De rechtbank concludeerde dat eiser door zijn eigen handelen, namelijk het niet beschikbaar houden en vertrek tijdens de procedure, het risico heeft aanvaard dat het besluit hem niet persoonlijk zou bereiken.

Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn en rechtsgeldige bekendmaking van het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8305

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld en aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft op 13 februari 2026 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit.
De rechtbank heeft eiser op 18 februari 2026 verzocht om kenbaar te maken wat de reden is van de overschrijding van de in het bestreden besluit opgenomen beroepstermijn van één week. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft verweerder op 18 februari 2026 verzocht om kenbaar te maken op welke wijze het terugkeerbesluit aan eiser is uitgereikt. Verweerder heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 22 februari 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Eiser heeft op 13 februari 2026 beroep ingesteld tegen het besluit van 23 december 2025 voor zover hierin een terugkeerbesluit is opgenomen. In dit geval bedraagt de beroepstermijn één week [1] . Dit betekent dat eiser uiterlijk 30 december 2025 het beroep had moeten instellen. Het beroepschrift is ingediend op 13 februari 2026 en dus te laat.
3. Hieraan kan voorbij worden gegaan als in alle redelijkheid niet kan worden gezegd dat eiser ‘in verzuim’ is. Dit wil zeggen dat de termijnoverschrijding hem niet wordt aangerekend.
4. Eiser voert aan dat geen sprake is van een rechtsgeldig terugkeerbesluit en dus ook geen sprake kan zijn van een termijnoverschrijding, omdat niet uit het dossier blijkt dat het terugkeerbesluit aan eiser is uitgereikt. Eiser was niet op de hoogte van het terugkeerbesluit. Daarbij wordt in het terugkeerbesluit volstaan met de motivering dat eiser hierover geen zienswijze heeft gegeven, terwijl dit voor eiser feitelijk onmogelijk was.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet gebleken dat de overschrijding van de beroepstermijn eiser niet moet worden aangerekend. Uit het bestreden besluit en uit de aanbiedingsbrief van verweerder volgt genoegzaam dat een afschrift van het bestreden besluit op het ACS in [plaats] ter inzage is gelegd op een daartoe bestemde plek. Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat hiertoe aanleiding bestond omdat eiser zich niet beschikbaar heeft gehouden voor zijn asielaanvraag, er geen verblijfsadres van eiser bekend was en het bestreden besluit niet in persoon aan eiser kon worden uitgereikt. Ook was er geen gemachtigde van eiser bekend bij verweerder. Middels de terinzagelegging van het bestreden besluit op de locatie in [plaats] en de melding van de terinzagelegging doordat deze is opgehangen op de daartoe bestemde plek, kan worden vastgesteld dat het terugkeerbesluit rechtsgeldig bekend is gemaakt. [2] Dit geldt namelijk als een bekendmaking in de zin van artikel 3:41, tweede lid, van de Awb. [3] Tevens is deze wijze van bekendmaking conform het beleid dat is neergelegd in paragraaf C1/2.13 van de Vc. [4]
6. Voorts heeft verweerder het inreisverbod op 5 januari 2026 gepubliceerd in de Staatscourant. [5] Verweerder heeft in dit kader voldoende gemotiveerd dat het inreisverbod niet zelfstandig kan bestaan en dat de publicatie hiervan in de Staatscourant als een publicatie van een meeromvattende beschikking behoort te worden aangeduid. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser, door zich niet beschikbaar te houden en te vertrekken tijdens zijn asielprocedure, het risico heeft aanvaard dat de volledige tekst van het onderliggende terugkeerbesluit hem niet persoonlijk bereikt.
Conclusie
7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 69, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit wordt bevestigd door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 februari 2026 met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2026:804.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Staatscourant 2026, 360.