ECLI:NL:RBDHA:2026:3968

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
NL25.32705
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek LHBTI uit Trinidad en Tobago wegens onvoldoende vluchtelingenrisico

Eiser, een homoseksuele man uit Trinidad en Tobago, diende op 12 november 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Hij stelde te zijn gevlucht vanwege discriminatie en vervolging vanwege zijn seksuele gerichtheid, waarvoor hij in zijn land van herkomst geen bescherming zou krijgen. De minister van Asiel en Migratie wees het verzoek op 17 juli 2025 af, stellende dat de verklaringen van eiser slechts deels geloofwaardig waren en dat de discriminatie niet ernstig genoeg was om te spreken van vluchtelingenstatus.

Eiser voerde in beroep aan dat de minister ten onrechte de geloofwaardigheid van de aanval op zijn appartement en de ernst van de discriminatie had betwist, en dat onvoldoende rekening was gehouden met de veranderde wetgeving en maatschappelijke omstandigheden in Trinidad en Tobago. De rechtbank oordeelde dat de tegenstrijdigheden in de verklaringen en het ontbreken van een aannemelijk verband tussen de aanval en seksuele gerichtheid terecht tot afwijzing leidden.

Verder concludeerde de rechtbank dat de discriminatie niet zo ernstig is dat het maatschappelijk functioneren onmogelijk wordt gemaakt en dat de recente rechterlijke uitspraak uit 2025 over strafbaarheid van anale seks onvoldoende concreet bewijs levert voor een reëel risico op vervolging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep op het afwijzingsbesluit van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vervolgingsdreiging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32705

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez-Rhèmrev).

Procesverloop

Bij besluiten van 17 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen de bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiser is geboren op [datum] 1997 en heeft de nationaliteit van Trinidad en Tobago. Hij heeft op 12 november 2022 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Eiser zegt uit zijn land van herkomst te zijn gevlucht vanwege problemen die hij als homoseksueel heeft ondervonden en waartegen de autoriteiten van Trinidad en Tobago geen bescherming bieden.
In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eisers verklaringen over de ondervonden problemen maar deels geloofwaardig zijn. De verklaringen over de aanval op het appartement van eiser en zijn partner zijn niet geloofwaardig. Voor zover verweerder aanneemt dat eiser discriminatoir is behandeld vanwege zijn seksuele gerichtheid en bij terugkeer wederom zal hebben te vrezen voor discriminatie, heeft verweerder overwogen dat dit eiser niet zo ernstig zal beperken in zijn bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk zal zijn om maatschappelijk en sociaal te functioneren. De discriminatie is daarom niet zwaarwegend genoeg om te spreken van vluchtelingschap. Evenmin loopt eiser het reële risico om bij terugkeer te worden blootgesteld aan ernstige schade. De afwijzing van eisers asielaanvraag is tevens een terugkeerbesluit. Eiser heeft bij afzonderlijk besluit van 30 september 2025 alsnog om medische redenen uitstel van vertrek gekregen.
Eiser voert in beroep aan dat de tegenwerpingen in het bestreden besluit geen afbreuk behoren te doen aan de geloofwaardigheid van de aanval op het appartement. Verder is er volgens eiser onvoldoende betekenis toegekend aan de foto's waarop het bij zijn partner toegebrachte letsel is te zien. Bovendien, zo stelt eiser, is ten onrechte niet getoetst of hij, gegeven de veranderende wetgeving en maatschappelijke mores te verzen heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag. Er wordt immers aangenomen dat eiser homoseksueel is, en vaststaat dat in Trinidad en Tobago geslachtsgemeenschap tussen personen van hetzelfde geslacht strafbaar is gesteld en rechters lijken daar nu in mee te gaan.
In het bestreden besluit is voor wat betreft de verklaringen over de aanval op het appartement verwezen naar de beoordeling in het besluit van eisers partner. Eiser was tijdens de aanval niet aanwezig. Eisers partner heeft over de aanval onduidelijke en vage verklaringen afgelegd en uit zijn verklaringen wordt niet aannemelijk dat er een verband was tussen de aanval en eisers seksuele gerichtheid. Daarbij heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser en zijn partner tegenstrijdig aan elkaar hebben verklaard over de staat van het appartement na de aanval. Dat dit het gevolg is van het feit dat eiser niet aanwezig is geweest bij de aanval en in zijn verklaringen heeft geïnterpreteerd en aangevuld wat hij van zijn partner heeft gehoord, maakt niet dat de tegenwerping ten onrechte is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de tegenstrijdigheden betrekking hebben op ondergeschikte punten. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over de aanval op het appartement niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Gelet op die verklaringen heeft verweerder aan de foto's van toegebracht letsel geen overtuigende betekenis hoeven toekennen, aangezien het gestelde verband met het relaas niet aannemelijk is.
Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd overwogen dat niet is gebleken dat de door eiser ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Ook heeft verweerder terecht overwogen dat eiser met de aangeleverde artikelen over het strafbaar stellen van anale seks niet heeft onderbouwd waarom die wetgeving eisers veiligheid ernstig aantast, zoals eiser in zijn zienswijze stelt. Ook in beroep heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het bestaan van bedoelde wetgeving ertoe leidt dat hij bij terugkeer in Trinidad en Tobago zal hebben te vrezen voor vluchtelingrechtelijke vervolging. Uit de door hem overgelegde artikelen volgt dat, in afwijking van eerdere rechtspraak in Trinidad en Tobago, uit 2018, in een rechterlijke uitspraak uit 2025 anale seks onverminderd strafbaar is geacht op basis van bestaande wetgeving. Dezelfde wetgeving heeft er eerder (vóór 2018) niet toe geleid dat homoseksuelen in Trinidad en Tobago werden vervolgd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er nu serieus rekening mee moet worden gehouden dat recente uitleg van de wetgeving wel zodanige gevolgen zal hebben. De feitelijke betekenis van de uitspraak uit 2025 is niet geconcretiseerd en verweerder heeft ter zitting nog toegelicht dat tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld. De enkele stelling dat bedoelde uitspraak getuigt van een veranderd maatschappelijk klimaat jegens lhbti in Trinidad en Tobago is onvoldoende om de gestelde vrees aannemelijk te achten.
Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.