ECLI:NL:RBDHA:2026:4148
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 8 september 2025 is opgelegd op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was, zodat nu alleen het voortduren van de maatregel wordt beoordeeld.
De eiser stelt dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, mede omdat er lange tijd geen laissez-passer’s zijn afgegeven en zijn presentatie pas gepland staat op 24 maart 2026. De rechtbank constateert dat in de relevante jaren slechts enkele aanvragen voor laissez-passer’s zijn gedaan, maar dat het uitblijven van afgifte daarvan niet betekent dat deze niet zullen worden verstrekt.
De rechtbank overweegt dat verweerder op 30 december 2025 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt, waarbij de lange duur van de bewaring is afgewogen tegen het grensbewakingsbelang en de medewerkingsplicht van eiser. Omdat eiser niet aan zijn medewerkingsplicht voldoet, is er volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering. De rechtbank ziet geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.