Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4148

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.6108
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 8 september 2025 is opgelegd op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was, zodat nu alleen het voortduren van de maatregel wordt beoordeeld.

De eiser stelt dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, mede omdat er lange tijd geen laissez-passer’s zijn afgegeven en zijn presentatie pas gepland staat op 24 maart 2026. De rechtbank constateert dat in de relevante jaren slechts enkele aanvragen voor laissez-passer’s zijn gedaan, maar dat het uitblijven van afgifte daarvan niet betekent dat deze niet zullen worden verstrekt.

De rechtbank overweegt dat verweerder op 30 december 2025 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt, waarbij de lange duur van de bewaring is afgewogen tegen het grensbewakingsbelang en de medewerkingsplicht van eiser. Omdat eiser niet aan zijn medewerkingsplicht voldoet, is er volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering. De rechtbank ziet geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6108

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Verweerder heeft op 8 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 januari 2026 (in de zaak NL25.63291) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. Volgens eiser worden al lange tijd geen laissez-passer’s meer afgegeven. Daarnaast staat de presentatie van eiser pas gepland op 24 maart 2026. Verder voert eiser aan dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen omdat hij al lang in bewaring zit.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Uit de cijfers van verweerder blijkt dat in 2024 en 2026 geen laissez-passer’s zijn aangevraagd bij de Nepalese autoriteiten en in 2025 zijn tussen één en vijf. In deze jaren zijn geen laissez-passer’s zijn afgegeven. Naast de aanvraag van eiser’s laissez-passer zijn dus hooguit drie andere aangevraagd ergens in 2025. Uit de enkele omstandigheid dat deze nog niet zijn verstrekt kan niet worden afgeleid dat dit niet zal gebeuren.
7. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat eiser vanaf 7 juli 2025 in grensdetentie zat op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw en sinds 8 september 2025 op grond van artikel 6, eerste en tweede lid van de Vw. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet verweerder bij zes maanden van aangesloten detentie een verzwaarde belangenafweging maken als verweerder eiser langer in bewaring wil houden. [1] Deze termijn verstreek op 7 januari 2026.
8. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder op 30 december 2025 een belangenafweging heeft gemaakt. Hoewel deze belangenafweging niet onder het kopje ‘verzwaarde belangenafweging’ is opgenomen, blijkt uit de inhoud van de gemaakte afweging, dat verweerder de lange duur van de bewaring afweegt tegen het grensbewakingsbelang en daarbij meeweegt dat en waarom de lange duur in belangrijke mate aan eiser is toe te rekenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee dan ook een verzwaarde belangenafweging gemaakt en rechtvaardigen de door verweerder opgenoemde omstandigheden het voortduren van de bewaring. Hoewel op eiser de verplichting rust om zijn volledige en actieve medewerking te verlenen, heeft hij tot nu toe immers nog geen enkele aantoonbare actie ondernomen om zijn uitzetting te bespoedigen terwijl tijdens meerdere vertrekgesprekken hem is verteld wat hij kan doen om het proces te bespoedigen. Nu eiser niet aan zijn meewerkplicht voldoet, kan volgens vaste jurisprudentie een redelijk vooruitzicht op verwijdering reeds daarom worden aangenomen.
9. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering was of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkte aan de verwijdering van eiser uit Nederland.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [2] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juli 2023. ECLI:NL:RVS:2023:2831.
2.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.