Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7121
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

Eiser werd op 7 februari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 8 februari 2026 werd deze maatregel opgeheven en vervangen door een nieuwe maatregel met Dublinaanknopingspunten. Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatige tenuitvoerlegging van de maatregel.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van 7 februari 2026 was opgeheven en dat de beoordeling zich daarom beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest. Eiser voerde aan dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig was vanaf 16 februari 2026 vanwege de minderjarigheid van zijn zoon en medische problemen binnen het gezin. Verweerder stelde dat de zoon zich als meerderjarig had voorgedaan met een vervalst paspoort en dat het grensbewakingsbelang een vrijheidsontnemende maatregel rechtvaardigde.

De rechtbank stelde vast dat eiser op 7 februari 2026 een verzoek om internationale bescherming had ingediend zonder te voldoen aan de toegangsvoorwaarden, waardoor de maatregel terecht was opgelegd. De minderjarigheid van de zoon kon niet worden meegewogen omdat deze zich als meerderjarig had voorgedaan. Ook was geen sprake van een significant risico op onderduiken en was er geen aanleiding te oordelen dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7121

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 7 februari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 8 februari 2026 is de eerdere maatregel van bewaring opgeheven en aan eiser een nieuwe maatregel opgelegd met Dublinaanknopingspunten.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 16 februari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 18 februari 2026 op gereageerd. Op 20 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Omdat de maatregel van 7 februari 2026 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiser voert aan dat volgens verweerders beleid gezinnen met minderjarige kinderen niet in vreemdelingendetentie worden geplaatst. Eiser heeft een kopie van een taskera overlegd bij de zienswijze van 16 februari 2026, waaruit blijkt dat zijn zoon minderjarig is. De voortduring van de maatregel is daarom in elk geval vanaf 16 februari 2026 onrechtmatig. Verder heeft verweerder ten onrechte gesteld dat er sprake is van een significant risico op onderduiken. Daarbij kan het grensbewakingsbelang geen doorslaggevende rol spelen omdat eiser en zijn gezin van verweerder naar Slovenië moeten voor de behandeling van hun asielaanvraag. Verder kampen eiser en zijn partner met medische problemen.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat eiser op 8 februari 2026 een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel heeft gekregen. De desbetreffende beschikking zit ook in het dossier. De rechtbank leidt hieruit af dat de bestreden vrijheidsontnemende maatregel van 7 februari 2026 dan ook is opgeheven. Dat het M113 formulier, waar dit doorgaans uit blijkt, niet in het dossier zit is slordig, maar doet aan het oordeel niet af. [1] Anders dan eiser stelt, duurt de maatregel dus niet voort.
7. De rechtbank stelt verder vast dat eiser op 7 februari 2026 aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan toegangsvoorwaarden voldeed. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan. [2] Daarnaast heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. [3] Hiervan wordt slechts in zeer bijzondere gevallen afgeweken.
8. Daarbij heeft verweerder geen rekening hoeven houden met de gestelde minderjarigheid van zijn zoon, omdat zijn zoon zich heeft voorgedaan als meerderjarig. Volgens het vervalste paspoort van zijn zoon, zou hij geboren zijn op [geboortedatum 1] 2004. Uit EU-VIS blijkt dat hij geboren is op [geboortedatum 2] 2005. De zienswijze van 16 februari 2026, waarbij een kopie van een taskera is overgelegd met een latere geboortedatum, dateert van na (de opheffing van) het bestreden besluit. Daarnaast constateert de rechtbank, anders dan eiser, dat verweerder een risico op onderduiken niet heeft tegengeworpen, zodat dit geen bespreking behoeft.
9. Verder is niet gebleken dat eiser niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terecht kan voor zijn klachten. Voor het oordeel dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen en het grensbewakingsbelang had moeten prijsgeven, is daarom geen aanleiding.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [4] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie voor een vergelijkbaar oordeel de uitspraken van 9 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7621 en ECLI:NL:RBDHA:2019:4772.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
4.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.