ECLI:NL:RBDHA:2026:4154

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7127
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring

Eiser werd op 7 februari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd op 8 februari 2026 opgeheven en vervangen door een nieuwe maatregel met Dublinaanknopingspunten. Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatigheid van de tenuitvoerlegging.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van 7 februari 2026 niet voortduurde omdat deze was opgeheven. Eiser voerde aan dat hij minderjarig is en dat gezinnen met minderjarige kinderen niet in vreemdelingendetentie worden geplaatst, waardoor de voortduring van de maatregel onrechtmatig zou zijn. De rechtbank stelde vast dat eiser zich had voorgedaan als meerderjarig en dat de zienswijze met bewijs van minderjarigheid pas na de opheffing van de maatregel was ingediend.

Verder was eiser op 7 februari 2026 aan de grens binnengekomen zonder te voldoen aan toegangsvoorwaarden, wat de toepassing van de maatregel rechtvaardigde. Het grensbewakingsbelang weegt zwaar en vereist in beginsel vrijheidsontneming. Er was geen sprake van een significant risico op onderduiken en de medische situatie van de ouders van eiser rechtvaardigde geen lichtere maatregel. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7127

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

1. Bij besluit van 7 februari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Bij besluit van 8 februari 2026 is de eerdere maatregel van bewaring opgeheven en aan eiser een nieuwe maatregel opgelegd met Dublinaanknopingspunten.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 16 februari 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 18 februari 2026 op gereageerd. Op 20 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Omdat de maatregel van 7 februari 2026 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. Eiser voert aan dat volgens verweerders beleid gezinnen met minderjarige kinderen niet in vreemdelingendetentie worden geplaatst. Eiser heeft een kopie van een taskera overlegd bij de zienswijze van 16 februari 2026, waaruit blijkt dat hij minderjarig is. De voortduring van de maatregel is daarom in elk geval vanaf 16 februari 2026 onrechtmatig. Verder heeft verweerder ten onrechte gesteld dat er sprake is van een significant risico op onderduiken. Daarbij kan het grensbewakingsbelang geen doorslaggevende rol spelen omdat eiser en zijn ouders van verweerder naar Slovenië moeten voor de behandeling van hun asielaanvraag. Verder kampen de ouders van eiser met medische problemen.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat eiser op 8 februari 2026 een nieuwe vrijheidsontnemende maatregel heeft gekregen. De desbetreffende beschikking zit ook in het dossier. De rechtbank leidt hieruit af dat de bestreden vrijheidsontnemende maatregel van 7 februari 2026 dan ook is opgeheven. Dat het M113 formulier, waar dit doorgaans uit blijkt, niet in het dossier zit is slordig, maar doet aan het oordeel niet af. [1] Anders dan eiser stelt, duurt de maatregel dus niet voort.
7. De rechtbank stelt verder vast dat eiser op 7 februari 2026 aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan toegangsvoorwaarden voldeed. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan. [2] Daarnaast heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. [3] Hiervan wordt slechts in zeer bijzondere gevallen afgeweken.
8. Daarbij heeft verweerder geen rekening hoeven houden met de gestelde minderjarigheid van eiser, omdat eiser zich heeft voorgedaan als meerderjarig. Volgens het vervalste paspoort van eiser, zou hij geboren zijn op [geboortedatum 1] 2004. Uit EU-VIS blijkt dat hij geboren is op [geboortedatum 2] 2005. De zienswijze van 16 februari 2026, waarbij een kopie van een taskera is overgelegd met een latere geboortedatum, dateert van na (de opheffing van) het bestreden besluit. Daarnaast constateert de rechtbank, anders dan eiser, dat verweerder een risico op onderduiken niet heeft tegengeworpen, zodat dit geen bespreking behoeft.
9. Verder is niet gebleken dat de ouders van eiser niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terecht kan voor hun klachten. Voor het oordeel dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen en het grensbewakingsbelang had moeten prijsgeven, is daarom geen aanleiding.
10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [4] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie voor een vergelijkbaar oordeel de uitspraken van 9 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:7621 en ECLI:NL:RBDHA:2019:4772.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.
4.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.