ECLI:NL:RBDHA:2026:4154
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdelingenbewaring
Eiser werd op 7 februari 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd op 8 februari 2026 opgeheven en vervangen door een nieuwe maatregel met Dublinaanknopingspunten. Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatigheid van de tenuitvoerlegging.
De rechtbank overwoog dat de maatregel van 7 februari 2026 niet voortduurde omdat deze was opgeheven. Eiser voerde aan dat hij minderjarig is en dat gezinnen met minderjarige kinderen niet in vreemdelingendetentie worden geplaatst, waardoor de voortduring van de maatregel onrechtmatig zou zijn. De rechtbank stelde vast dat eiser zich had voorgedaan als meerderjarig en dat de zienswijze met bewijs van minderjarigheid pas na de opheffing van de maatregel was ingediend.
Verder was eiser op 7 februari 2026 aan de grens binnengekomen zonder te voldoen aan toegangsvoorwaarden, wat de toepassing van de maatregel rechtvaardigde. Het grensbewakingsbelang weegt zwaar en vereist in beginsel vrijheidsontneming. Er was geen sprake van een significant risico op onderduiken en de medische situatie van de ouders van eiser rechtvaardigde geen lichtere maatregel. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.