De minister van Asiel en Migratie legde op 12 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat hij geen identiteitsdocumenten had en dat zijn terugkeer naar Bulgarije problematisch zou zijn vanwege zijn seksuele geaardheid. Hij voerde aan dat zijn gerechtvaardigd belang om in Nederland te blijven niet was meegewogen en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank stelde vast dat de gronden voor bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. Er was sprake van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder had gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend was om dit risico te ondervangen. Ook was niet gebleken dat de bewaring onevenredig bezwarend was.
De aangekondigde overdracht van eiser naar Bulgarije op grond van de Dublinverordening werd op 17 februari 2026 geannuleerd, waarna de bewaring werd opgeheven. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was geweest en concludeerde dat dit niet het geval was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.